Naar hoofdinhoud
1.. De ambtenaar vervult géén nevenfuncties waarvan hij in redelijkheid kan aannemen dat de uitoefening ongewenst is met het oog op de goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. 2.. De ambtenaar maakt tenminste éénmaal per jaar melding aan het college van al zijn nevenfuncties waarbij tevens wordt aangegeven of de nevenfunctie wel of niet bezoldigd is. 3.. De ambtenaar die een nevenfunctie wil vervullen anders dan uit hoofde van zijn functie bespreekt voor dat hij aanvangt met de nevenfunctie dit voornemen met de leiding-gevende dan wel de gemeentesecretaris. 4.. Het college beslist, voor zover het daartoe beslissingsruimte heeft, over het door de ambtenaar aangaan van een nevenfunctie uit hoofde van zijn functie. 5.. Het college stelt een overzicht van functies op waarvoor het zonder voorafgaande toestemming van het college niet is toegestaan een nevenbetrekking te vervullen. 6.. Het college legt een openbaar register aan waarin de nevenfuncties als bedoeld in het tweede lid van dit artikel worden opgenomen.

Rechtspraak bij dit artikel