1.Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 19, 20 en 21 van de wet
kunnen burgemeester en wethouders aan de eigenaar van een ter
beschikking gekomen woonruimte die behoort tot de in artikel 2.7.1, eerste
lid, aangewezen categorieën een voordracht tot verhuring van de
woonruimte aan een door burgemeester en wethouders aangegeven
woningzoekende doen.
2.Voor plaatsing op de in het vorige lid bedoelde voordracht komen tenminste
in aanmerking de woningzoekenden die beschikken over een
urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.6.1.
3. a. Binnen 2 weken nadat de eigenaar het ter beschikking komen van de
woonruimte heeft gemeld of anderszins is gebleken dat de woonruimte
ter beschikking is gekomen zenden burgemeester en wethouders een
voordracht als bedoeld in lid 1 van tenminste 1 en ten hoogste 3
woningzoekenden, of berichten zij aan de eigenaar dat geen voordracht
zal worden gedaan. Van de voordracht worden de desbetreffende
woningzoekenden door burgemeester en wethouders schriftelijk in
kennis gesteld.
b.Binnen 2 weken na ontvangst van de voordracht dient de eigenaar de
woningzoekende(n) te benaderen en burgemeester en wethouders
schriftelijk te berichten of met (één van) de voorgedragen
woningzoekende(n) een huurovereenkomst afgesloten zal worden.
Indien de eigenaar de voorgedragen woningzoekende(n) weigert, dient
hij de reden daarvan aan burgemeester en wethouders te berichten.
Burgemeester en wethouders stellen de voorgedragen woningzoekende(n)
hiervan in kennis en geven daarbij aan wat het vervolg van de procedure zal
zijn. Indien de voorgedragen woningzoekende(n) de woonruimte weigert
(weigeren), dient (dienen) hij (zij) de reden daarvan schriftelijk aan
burgemeester en wethouders te berichten.
4.Indien de voorgedragen woningzoekende(n) de woonruimte weigert
(weigeren), of de eigenaar de voorgedragen woningzoekende (n) om naar
het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde redenen weigert,
kan een tweede voordracht worden gedaan binnen 2 weken nadat
burgemeester en wethouders van de weigering in kennis zijn gesteld.
5.Voorgedragen woningzoekenden worden geacht geweigerd te hebben, indien
zij niet binnen één week nadat zij van de voordracht in kennis zijn gesteld aan
de eigenaar of aan burgemeester en wethouders hebben laten weten dat zij
de aangeboden woonruimte accepteren.
Het bepaalde in artikel 2.3.3., lid l, sub b blijft buiten toepassing, indien:
burgemeester en wethouders hebben bericht dat geen voordracht zal
worden gedaan;
b.zij niet binnen de termijn als genoemd in lid 3, sub a. een voordracht
hebben gedaan;
c.alle door hen voorgedragen woningzoekenden de aangeboden
woonruimte hebben geweigerd.
7.Indien de eigenaar niet binnen de gestelde termijn een bericht als bedoeld in
lid 3, sub b heeft gezonden of als hij de voorgedragen woningzoekende(n)
zonder naar het oordeel van burgemeester en wethouders gegronde reden
weigert, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig hoofdstuk IV
van de wet tot vordering van de woonruimte overgaan.
8.De per eigenaar overeenkomstig artikel 2. 7. 1. Gemelde woonruimten worden
genoteerd in een register, waarvan het boekjaar gelijk is - aan het kalenderjaar.
In dit register wordt enerzijds aangetekend voor welke woonruimten een
huisvestingsvergunning is verstrekt aan woningzoekenden die aan de eisen
voor plaatsing op een voordracht voldoen en anderzijds voor welke woonruimten
dit niet het geval is geweest. Bij het doen van voordrachten streven
burgemeester en wethouders ernaar om de verhouding tussen deze twee
categorieën woonruimten l : l te laten zijn.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.7
Artikel 2.7.2
Voordracht
Onderdeel van Verordening houdende regels omtrent de verdeling van woonruimte en de wijziging van de samenstelling van de woonruimtevoorraad