**1..** Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld aanwezig te zijn in de situatie dat aanvrager of zijn echtgenoot op de peildatum:
een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
een studie volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000;
een andere studie of opleiding volgt waarop de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs van toepassing is;
tijdens de referteperiode de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid van de wet of artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ heeft geschonden en bij wie een benadelingsbedrag wegens verzwegen inkomsten uit arbeid is vastgesteld.
**2..** Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elke geval verondersteld aanwezig te zijn als aanvrager of zijn echtgenoot in de twaalf maanden voorafgaand op de peildatum:
Een maatregel heeft gekregen vanwege het niet of onvoldoende nakomen van de in artikel 9 of artikel 18, vierde lid van de wet of artikel 37 IOAW of artikel 37 IOAZ bedoelde verplichtingen;
De uitkering volledig of gedeeltelijk is geweigerd vanwege het niet of onvoldoende nakomen van de in artikel 20, tweede lid van de IOAW of artikel 20, tweede lid van de IOAZ bedoelde verplichtingen;
Een opleiding of studie als bedoeld in het eerste lid heeft afgerond.
**3..** Indien aanvrager niet valt onder één van de categorieën genoemd in het eerste of tweede lid, kan het college op grond van de eigen bevindingen tot het oordeel komen dat de aanvrager wel uitzicht op inkomensverbetering heeft.
**4..** Het college kan afwijken van de voorgaande leden, indien het college van oordeel is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die in de weg staan aan inkomensverbetering.
Artikel 3.