Zowel binnen het gemeentelijke beleid als het landelijke beleid is er voor gekozen om de aanpak van de bodemverontreiniging te combineren met de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied. De bodemkwaliteit dient bepaald te worden bij bouwaanvragen, grondverzet, bestemmingswijzigingen en in situaties waarbij gesaneerd moet worden. Door bij al deze procedures dezelfde bodemkwaliteitseisen te stellen, wordt invulling gegeven aan het meersporenbeleid.
De Bodemkwaliteitskaart kan worden ingezet voor de volgende sporen:
Omgevingsvergunning ten behoeve van bouwen (WABO);
Bestemmingsplanwijziging Wro;
In artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht is opgenomen dat een bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden door een persoon of instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. In enkele gevallen kan op basis van de bouwverordening geheel of gedeeltelijk worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport voor het uitvoeren van een volledig bodemonderzoek, omdat wordt voldaan aan ten minste één van onderstaande voorwaarden:
het bouwen heeft betrekking op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor), artikelen 2 en 3 van bijlage II;
er zijn voldoende (bruikbare) recente gegevens met betrekking tot de bodemgesteldheid aanwezig;
het bouwen heeft betrekking op een bouwwerk, waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
het bouwoppervlak is kleiner dan 50 m2;
het desbetreffende bouwwerk raakt de grond niet of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd.
Vanaf 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) van kracht. Gelijktijdig met de Wet ruimtelijke ordening is eveneens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van kracht geworden. In het Besluit ruimtelijke ordening blijft de verplichting bestaan voor onderzoek naar de bestaande toestand en de gewenste kwaliteit van de bodem. Daarnaast moet de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk worden gemaakt. In het Besluit ruimtelijke ordening is niet vastgelegd hoe de bodem onderzocht moet worden.
Op basis van bovenstaande wordt gesteld dat de bodemkwaliteitskaart in combinatie met een vooronderzoek conform NEN5725 als bewijsmiddel mag dienen voor een bodemgeschiktheid voor een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een bestemmingsplanwijziging.
In het onderstaand schema is aangegeven wanneer en op welke wijze de bodemkwaliteitskaart kan worden ingezet voor een aanvraag omgevingsvergunning bouwen of een aanpassing van het bestemmingsplan.
De Bodemkwaliteitskaart kan niet worden ingezet voor de volgende sporen:
Makelaar/Taxateur;
Grondaankoop en –verkoop;
Nulsituatie Wm vergunning;
In deze gevallen is lokaal bodemonderzoek noodzakelijk.
Een belangrijke voorwaarde voor het gebruik van de Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel is het vooronderzoek. Indien uit het vooronderzoek blijkt dat sprake is van een verdachte locatie, met beïnvloeding van een lokale puntbron, kan de kaart niet als bewijsmiddel worden toegepast.
Het Wet bodembeschermingsspoor (Wbb) is primair van toepassing op saneringswerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op het aanbrengen van aanvulgrond op een ernstig verontreinigde locatie is de Wbb en het Bbk van toepassing. De kwaliteit van de toe te passen grond, die afkomstig is van buiten de ontgravingslocatie, dient vast te zijn gesteld met behulp van een partijkeuring, inclusief vooronderzoek. Een uitzondering kan worden gemaakt voor grond die afkomstig is van andere delen van Heuvelland. Conform de mogelijkheden zoals weergegeven in de paragraafe “grondstromenmatrix” kan de bodemkwaliteitskaart mogelijk worden aangewend als bewijsmiddel in plaats van de partijkeuring.
Binnen de gemeentegrenzen wordt de toepassingskaart gebruikt om te bepalen wat de kwaliteit van de leeflaag dient te zijn. Uitzonderingen hierop zijn de moes- en volkstuinen, plaatsen waar kinderen spelen en grondwaterwingebieden.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2.10