Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.1

Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2017

Een bijdrage in de kosten wordt gevraagd voor alle maatwerkvoorzieningen in natura en als PGB, behalve bij rolstoelen en kindervoorzieningen anders dan woningaanpassingen. De bijdrage wordt berekend, opgelegd en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de belastingdienst, te kunnen beschikken. Naast het inkomen telt het vermogen ook mee bij de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage. In 2017 zal dus het verzamelinkomen over 2015 gebruikt worden om de bijdrage vast te stellen. Dit betekent dat er soms een voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve vaststelling. Een bijdrage wordt per periode van 4 weken opgelegd. Een bijdrage wordt gevraagd over  de eerste volle periode van 4 weken na startdatum van de voorziening tot en met de laatste volle periode voor de einddatum van de indicatie. Een bijdrage zal nooit meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening. De berekenmethode voor het berekenen van de kostprijs van de voorziening is beschreven in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente De Wolden. De hoogte van de bijdrage voor Wmo voorzieningen is afhankelijk van Het inkomen en vermogen en de leeftijd en de gezinssituatie van cliënt; Reeds aanwezige Wlz- of Wmo- voorzieningen bij cliënt; De kosten van de voorziening Ad a. Het inkomen en het vermogen en  de leeftijd en de gezinssituatie is bepalend voor hoeveel bijdrage cliënt maximaal per periode van 4 weken zal betalen. Dit betekent ook dat bij een hoog inkomen het zo kan zijn dat een maatwerkvoorziening uiteindelijk (terug)betaald wordt. Ad b. Het kan zijn dat cliënt meerdere voorzieningen vanuit de Wmo ontvangt, waarvoor een bijdrage gevraagd wordt. Deze bijdragen tellen allemaal mee voor de maximale te betalen bijdrage. Cliënten hoeven voor alle Wmo- voorzieningen samen nooit meer bijdrage te betalen dan de bedragen zoals die beschreven zijn onder a. Ad c. De vast te stellen bijdrage mag nooit meer zijn dan de kosten van de voorziening. Het college heeft voor de verschillende soorten voorzieningen vastgesteld wat de kostprijs is. De tarieven zoals die genoemd zijn in de contracten met de leveranciers zijn het uitgangspunt. Bij voorzieningen die in bruikleen verstrekt worden, wordt rekening gehouden met de technische levensduur. Voor voorzieningen waarvoor een onderhoudscontract van toepassing is, wordt voor het onderhoud een aparte bijdrage berekend. De vastgestelde bedragen zijn te vinden in de Verordening. Dit zijn de bedragen die als bijdrage gevraagd worden. Het kan dus heel goed zijn dat cliënt minder betaalt dan deze bedragen, maar het kan ook zijn dat het hele bedrag betaald wordt. De kostprijs is als het ware een ‘bruto’ bijdrage. Wat daadwerkelijk (=’netto’) betaald moet worden, hangt af van de persoonlijke situatie zoals beschreven onder a. en b.

Rechtspraak bij dit artikel