Naar hoofdinhoud

Artikel 8.

Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Den Helder 2018

1.. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. 2.. Een bijdrage in de kosten, bedoeld in het eerste lid, is niet verschuldigd bij de volgende maatwerkvoorzieningen: -. een (sport)rolstoel of pgb voor aanschaf van een (sport)rolstoel, incl. de aanpassingen hieraan; -. een verhuizing en/of de stoffering bij de inrichting van een woning, als gevolg van verhuizing naar een aangepaste woning; -. het bezoekbaar maken van de woning; 3.. De bijdrage, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tenzij overeenkomstig hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een lagere bijdrage is verschuldigd. 4.. Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van de bedragen en percentages, bedoeld in het derde lid. 5.. De kostprijs van een: a.. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b.. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6.. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door de instellingen die de opvang uitvoeren en hiervoor door het college worden gefinancierd, vastgesteld en geïnd. 7.. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel