Naar hoofdinhoud
1.. Controle op het gebruik van de rittenregistratie vindt slechts plaats in het kader van de in artikel 3 genoemde en conform die doeleinden. Deze doeleinden stellen beperkingen aan de omvang en wijze van controle: Controle ter verkrijging van inzicht in de mate van gebruik van het dienstvoertuig wordt zoveel mogelijk beperkt tot de gegevens uit de kilometeradministratie. Controle ten behoeve van de effectiviteit en efficiency van de inzet van vervoersmiddelen vindt alleen op voertuigniveau plaats. Controle ter voorkoming van onrechtmatig gebruik van het dienstvoertuig, wordt zo beperkt mogelijk gehouden, in die zin dat deze in redelijke verhouding staat tot het doel waarvoor deze wordt aangewend. 2.. Indien er een vermoeden is van onrechtmatig gebruik of misbruik van het dienstvoertuig bij een medewerker kan gedurende een vastgestelde (korte) periode gericht controle plaatsvinden. Voor deze controle - hieronder mede verstaan de wijze waarop en de periode waarin de controle plaatsvindt - is toestemming nodig van het college. Er vindt terugkoppeling plaats aan het college. 3.. Indien geconstateerd wordt dat een medewerker deze regeling overtreedt of bij een vermoeden daartoe, wordt de leidinggevende van betreffende medewerker(s) door de beheerder daarover zo spoedig mogelijk schriftelijk geïnformeerd. 4.. Indien sprake is van een vermoeden dat een medewerker deze regeling overtreedt, wordt de medewerker hiervan zo spoedig mogelijk door de leidinggevende schriftelijk op de hoogte gesteld, tenzij het belang van een nader onderzoek zich daartegen verzet. 5.. Indien geconstateerd wordt dat een medewerker deze regeling overtreedt, dan wordt de betrokken medewerker zo spoedig mogelijk hierop aangesproken door zijn leidinggevende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel