Naar hoofdinhoud
a.. De erfpachter is verplicht de in erfpacht uitgegeven onroerende zaak te bebouwen overeenkomstig de in de erfpachtovereenkomst aangegeven bestemming. b.. Tenzij in de erfpachtovereenkomst anders is overeengekomen, moet binnen twee jaar na datum van het ondertekenen van de notariële akte van vestiging de op de grond te stichten bebouwing voltooid en gebruiksklaar zijn; indien daartoe aanleiding bestaat, kan deze termijn door burgemeester en wethouders op schriftelijk verzoek van de erfpachter worden verlengd. c.. Indien na verloop van de in lid b genoemde termijn van twee jaar - of de bij verlenging door burgemeester en wethouders vastgestelde termijn - de bebouwing nog niet is aangevangen en er geen aanleiding bestaat om de termijn (verder) te verlengen, is de erfpachter aan de gemeente een boete verschuldigd ter hoogte van de erfpacht en is de gemeente bevoegd de erfpacht op te zeggen. d.. Indien na verloop van de in lid b genoemde termijn van twee jaar – of de bij verlenging door burgemeester en wethouders vastgestelde termijn - de bebouwing wel is aangevangen, maar nog niet glas- en waterdicht is, is de erfpachter aan de gemeente een boete verschuldigd ter grootte van 10% van de grondprijs (exclusief BTW). Bovendien is de erfpachter dan over de periode, gerekend vanaf het moment dat de in de vorige zin bedoelde termijn verlopen is tot aan het tijdstip dat de bebouwing voltooid en gebruiksklaar is geworden, door de gemeente te bepalen, een rentevergoeding te vermeerderen met omzetbelasting verschuldigd, berekend over de grondprijs (exclusief BTW) naar een percentage dat twee procent (2%) hoger is dan het laatstelijk vastgestelde wettelijke rentepercentage. e.. Indien na verloop van de in lid b genoemde termijn – of de bij verlenging door burgemeester en wethouders vastgestelde termijn - de bebouwing wel glas- en waterdicht, maar nog niet gereed is, verlenen burgemeester en wethouders uitstel van de bouwplicht voor de periode van de door de gemeente geschatte resterende bouwtijd. Indien na verloop van die verlenging nog steeds een wezenlijk deel van de bebouwing moet geschieden is de erfpachter aan de gemeente een boete verschuldigd overeenkomstig het bepaalde in de eerste zin van lid d. f.. Naast het gestelde in de leden d en e behoudt de gemeente het recht om de volledige nakoming van de bouwplicht en/of volledige schadevergoeding te vorderen, alsmede de bevoegdheid om het erfpachtrecht op te zeggen. g.. Op dit artikel is het bepaalde in artikel 1.17 van toepassing, zodat de verplichtingen uit dit artikel als kettingbeding moeten worden aangemerkt en gevestigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel