1.1Aanleiding
Gemeenten worden geconfronteerd met hennepteelt in zowel woningen als lokalen, maar ook met de verkoop van andere middelen die verboden zijn op grond van de Opiumwet. Zo ook de gemeente Nissewaard. Vanuit het strafrecht wordt opgetreden tegen de verdachte(n), maar de politie kan niet voorkomen dat de locatie toegankelijk blijft en dat zij haar aanzuigende werking blijft behouden. Om dit probleem aan te pakken, moet bestuursrechtelijk worden opgetreden.
Op grond van artikel 13b Opiumwet kan de burgemeester optreden tegen overtreding van de Opiumwet. Dat kan als middelen als bedoeld in lijst I (harddrugs) of lijst II (softdrugs) van de Opiumwet in een woning of lokaal aanwezig zijn. Uiteraard kan het ook gaan om een combinatie van middelen die op lijst I en op lijst II staan. Er hoeft niet aangetoond te worden dat sprake is van (woon)overlast dan wel van een inbreuk op de openbare orde en veiligheid.
Uit de praktijk blijkt dat in de gemeente Nissewaard niet alleen hennepkwekerijen actief zijn, maar er worden ook andere soorten drugs aangetroffen. De burgemeester heeft beleid ontwikkeld. De afgelopen periode is handhavend opgetreden, zo wordt bijvoorbeeld ongeveer twee keer per maand een last onder bestuursdwang, inhoudende een sluiting van een locatie, opgelegd. Er zijn ook gevallen waar wordt opgetreden middels het opleggen van een last onder dwangsom dan wel het afgeven van een bestuurlijke waarschuwing. De opgedane praktijkervaringen laten zien dat er behoefte is aan actualisering van het beleid, zodat dit nog beter aansluit op de praktijk.
1.2Wettelijke grondslag
Op grond van artikel 13b Opiumwet is de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen. Het opleggen van een last onder bestuursdwang houdt volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dat maatregelen worden genomen die zijn gericht op het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. In artikel 5:21 Awb zijn procedureregels opgenomen die gevolgd moeten worden indien tot toepassing van een last onder bestuursdwang wordt overgegaan. Omdat de toepassing van een last onder bestuursdwang zeer ingrijpende gevolgen kan hebben, voor de betrokkenen, dient sprake te zijn van:
een verboden situatie of een (dreigende) overtreding van een wettelijk voorschrift;
het belang van daadwerkelijk optreden, wat zorgvuldig dient te worden gemotiveerd;
een redelijke verhouding tussen de op te leggen maatregel en de overtreding, waarbij een lichtere maatregel geen uitkomst biedt.
Om aan de tweede en derde eis te voldoen is het wenselijk om de aanpak vast te leggen. Wanneer geen beleid is geformuleerd dan is handhaving weliswaar mogelijk, maar de motivering en onderbouwing van het besluit dient uitgebreider te zijn.
De Awb regelt verder de eisen van het kostenverhaal, het opleggen van een last onder dwangsom in plaats van een last onder bestuursdwang en de feitelijke uitvoering van een last onder bestuursdwang door middel van een verzegeling van de locatie.
Er is een wetsvoorstel ingediend om artikel 13b Opiumwet zodanig te wijzigingen dat de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester wordt verruimd. De burgemeester krijgt de bevoegdheid om handhavend op te treden bij het enkel aantreffen van voorwerpen en stoffen die duidelijk bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen. Omdat het nog enkel een wetsvoorstel betreft is dit niet meegenomen als zodanig in deze actualisatie.
1.3Handhavingsplicht
In beginsel geldt een plicht tot handhaving, hiervan kan onder omstandigheden worden afgeweken. De beleidsvrijheid om af te wijken wordt wel beperkt op het moment dat er belangen van derden in het geding zijn. Bijvoorbeeld in gevallen waarin handhaving onredelijk is. De omstandigheid dat een overtreder het niet (meer) in zijn macht heeft een last uit toe voeren, is geen beletsel om hem met een last onder bestuursdwang aan te schrijven.
1.4Begripsbepaling
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
een woning: een ruimte die voor bewoning wordt gebruikt, zoals een eengezinswoning, appartement, een woonwagen, woonschip, woonkeet en andere voor bewoning te gebruiken ruimte;
een lokaal: een ruimte die niet de bestemming woning heeft, zoals een loods, winkel, openbare inrichting of bedrijfsruimte.
Het erf horende bij een ruimte genoemd in sub a en b wordt geacht daarvan deel uit te maken.
1.5Beleidsdoelen
Dit beleid kent de volgende doelstellingen:
inzichtelijk maken op welke manier de burgemeester optreedt krachtens artikel 13b Opiumwet;
het zichtbaar ontrekken van een woning of lokaal aan het illegale circuit en daarmee het wegnemen van de bekendheid van een woning of lokaal als zijnde locatie waar middelen van lijst I of lijst II Opiumwet aanwezig zijn en eventueel verkregen kunnen worden;
het opheffen dan wel voorkomen van de verstoring van de openbare orde en de aantasting van het woon - en leefklimaat;
het leveren van een bijdrage aan het terugdringen van de criminaliteit die direct dan wel indirect in relatie staat tot de overtreding van de Opiumwet;
waar nodig verbeteren van de samenwerking en afstemming tussen partners omtrent dit onderwerp.
Artikel 1