1.De aflossing van de hoofdsom en de betaling van de rente dient te
geschieden in maandelijkse termijnen, bedragende een twaalfde gedeelte van het over een
bepaald jaar verschuldigde bedrag wegens rente en aflossing.
2.De ambtenaar dient het bestuursorgaan te machtigen tot maandelijkse
inhouding op diens salaris van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde maandelijkse
termijnen.