Naast de uitgangspunten per thema, zoals geformuleerd in de volgende paragrafen, gaan we uit van een aantal algemene uitgangspunten. Deze uitgangspunten vormen de basis voor het sociaal beleidskader. Deze uitgangspunten zijn deels gebaseerd op de Jeugdvisie en het Wmo Beleidsplan. In bijlage 3 geven we de drie peilers weer waarop onze Jeugdvisie is opgebouwd.
We hanteren een integrale benadering van de decentralisaties. We gaan uit van het principe één gezin, één plan, één regisseur en willen bureaucratie, verkokering en fragmentatie in zorg en ondersteuning aan burgers voorkomen.
De visie en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de afzonderlijke decentralisaties komen grotendeels overeen. De decentralisaties raken elk alle leefgebieden van burgers en kennen een overlap in doelgroepen. We kiezen daarom voor een integrale benadering van de decentralisaties en kiezen voor een integrale visie op het sociaal domein (sociaal beleidskader). We kiezen met name voor een integrale benadering daar waar het gaat om beleidsontwikkeling, toegang en verwijzing, ondersteunende instrumenten, communicatie, dienstverlening en financien.
De “sociale piramide1” vormt de basis van onze visie.
De “sociale piramide 2 Opgesteld door Radar ‘bureau voor sociale vraagstukken’ en Divosa” vormt de basis van onze visie. Burgers moeten een eigen huishouden kunnen voeren, een sociaal netwerk kunnen onderhouden en kunnen deelnemen aan de samenleving en arbeidsmarkt. Burgers zijn hier zelf verantwoordelijkheid voor. Daarnaast hebben zij ook een verantwoordelijkheid naar anderen in hun omgeving. De gemeente biedt zo nodig aanvullende zorg en diensten. Voor kwetsbare groepen is er bovendien specialistische zorg en hulpverlening beschikbaar. De ‘sociale piramide’3, met een brede basis en smalle top, visualiseert die verdeling.
De brede basis (nul-lijn) zijn de burgers zelf, de sociale netwerken rondom burgers en de algemeen toegankelijke voorzieningen (zoals buurtcentra, scholen, verenigingen). In eerste instantie zorgen burgers voor zichzelf en voor elkaar. Van burgers wordt verwacht dat zij zich af en toe in willen zetten voor anderen in hun omgeving. Daar ben je elkaars familie, buren en vrienden voor. De gemeente vertrouwt op de eigen kracht van de burger en de kracht van diens sociale netwerken en zet in op de versterking hiervan. Ook algemeen preventief beleid en preventieactiviteiten zijn onderdeel van de nul-lijn.
De gemeente Oirschot is op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) en de wet Publieke Gezondheid (wet PG) ook op dit moment al verantwoordelijk voor het preventieve (jeugd)beleid, opvoed- en gezinsondersteuning en de jeugdgezondheidszorg. Om deze reden heeft de gemeente Oirschot de laatste jaren al geïnvesteerd in het preventieve veld met lokale partners. Voorbeelden hiervan zijn het signaleringsoverleg Oirschot, het scholen van buurtverkennersen vrijwilligers in hun signalerende rol en het nauw onderhouden van contacten (en op structurele basis aanwezig zijn) en sluitende afspraken met met vindplaatsen zoals scholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, het consultatiebureau en verenigingen. We hebben sluitende afspraken met vindplaatsen m.b.t. de zorgstructuur.
Signaleringsoverleg Kwetsbaren Oirschot:
Sinds 2008 bestaat het Signaleringsoverleg Kwetsbaren Oirschot. Dit is een samenwerking van WoonInc., Maatschappelijk Werk Dommelregio, Politie, ISD de Kempen, Welzijn Best-Oirschot en de gemeente. Het doel van dit overleg is het signaleren van kwetsbare inwoners die niet of moeilijk zelfstandig kunnen participeren in de samenleving én het signaleren van zorgmijders en daarop actie te ondernemen in de vorm van het uitzetten én afstemmen van hulpverleningstrajecten.
Eenzaamheid bij ouderen is in het kader van preventie een belangrijk aandachtspunt. In dit kader werken we met activerende huisbezoeken bij 75-jarigen waarbij eenzaamheid altijd punt van aandacht is. Daarnaast zijn alle partners getraind op het herkennen van signalen van eenzaamheid.
Aansluiting met onderwijs
Omdat jeugdigen het grootste gedeelte van hun tijd op school doorbrengen, is het van belang af te stemmen tussen wat er thuis en wat op school gebeurt. Leraren kunnen problemen signaleren bij leerlingen. Daarom is verbinding en bundeling van krachten tussen jeugdhulp en specialistische hulp met het onderwijs en schoolmaatschappelijk werk belangrijk. Met het primair onderwijs (PO) kan het generalistenteam die verbinding goed maken, omdat de leerlingen voor het overgrote deel in hetzelfde gebied wonen als waar de school staat. Van belang is dat het generalistenteam zorgt voor een vast, deskundig contactpersoon bij wie de (basis)school terecht kan. Deze contactpersoon biedt scholen handvatten om zelf vragen en problemen op te pakken, zodat leerlingen zo lang mogelijk op een goede manier kunnen functioneren in de klas. Wanneer extra inzet nodig is, gaan school en generalistenteam samen in gesprek met de leerling en diens ouders om te bepalen welke hulp nodig is, wat het generalistenteam in principe zelf biedt.
Een andere aanpak is nodig voor scholen voor speciaal (basis) onderwijs, voortgezet onderwijs (VO) en het mbo. Deze scholen staan vaker buiten het gebied waar het kind woont. Het zijn bovenwijkse voorzieningen. Het uitgangspunt is, net als bij het generalistenteam, een gezinsgerichte werkwijze. Tegelijkertijd moet er een goede aansluiting zijn met de infrastructuur en de cultuur van het onderwijs. De professional vanuit het generalistenteam waar het kind woont, houdt contact met de school en het kind.
Uit praktijkervaringen blijkt dat circa 80-85 procent van de inwoners wel eens gebruik maakt van een voorziening in het sociaal domein (nul-lijn). De klanten zijn mensen die een regulier leven leiden, en geen bijzondere aanspraken op hulp of ondersteuning hoeven te doen. De gegeven ondersteuning betreft vaak laagdrempelige (collectieve) voorzieningen voor informatie- en advies, zoals het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG), een buurtvoorziening, welzijnswerk e.d., of een algemene voorziening 3 Zie bijlage 1, zoals het consultatiebureaus (JGZ). De dienstverlening is vooral gericht op preventie, en het versterken (en behouden) van de zelfredzaamheid van de burger.
De middenlaag (1ste lijn) vormt de verbinding tussen de basis en de top. Hier vind je de expertise die nodig is om te bepalen of mensen hun probleem zelf kunnen oplossen, hun omgeving het probleem kan oplossen of dat ze daarbij professionele ondersteuning nodig hebben. Indien nodig wordt een breed scala aan lichte vormen van hulpverlening en ondersteuning geboden dat voor iedereen eenvoudig toegankelijk is. En tot slotte kan hier uiteindelijk ook gesteld worden dat meer specialistische hulp nodig is.
De smalle top (2e lijn): Aan de top bevindt zich de langdurige specialistische zorg. Ongeveer 2-5% van de bevolking maakt gebruik van deze zorg. Het gaat om de professionele begeleiding van en de hulpverlening aan kwetsbare groepen. Het is de opgave om deze zorg niet geïsoleerd van de samenleving te organiseren maar te verbinden aan de brede doelstelling van meedoen.
De nullijn, eerste en tweede lijn kunnen we niet los van elkaar zien. Ook, of juist, als mensen gebruik maken van ondersteuning in de 1ste en 2de lijn, blijft de basis de nullijn. Ook dan blijven we een beroep doen op de eigen kracht en zelfredzaamheid van inwoners. De verschillende lagen (nul-, eerste en tweede lijn) lopen daarmee parallel aan elkaar. De nullijn blijft de basis, daar bovenop (complementair daaraan) komen de eerste en tweede lijn.
We zetten in op het “normaliseren” en het “ontzorgen”. We gaan uit van een positief beleid. Hulp of ondersteuning vragen is normaal. We stimuleren wel dat dit zoveel mogelijk in de eigen omgeving (nullijn) gebeurt. Hierdoor verwachten we dat de inzet van specialisten uit de “tweede lijn” vermindert.
De focus van ons beleid ligt niet in eerste instantie op problemen en risico’s maar op het stimuleren en ontwikkelen van een gunstig en positief leefklimaat voor alle inwoners en het positief benaderen van opvoeden en opgroeien (van ‘ilness naar welness’). We leggen de nadruk op het voorkomen van problemen (preventie) zonder daarbij belerend te worden. In gesprekken voert normalisering de boventoon; het gaat om gewone mensen met een gewone hulpvraag. Dit alles vraagt soms om een andere manier van denken en werken bij hulpverleners en burgers. Niet de doelen van de hulpverlener zijn leidend maar de vraag van en de kracht van de burger en de wijk. Samen maken zij de omslag van aanbod- naar vraaggericht werken. Basis is de eigen kracht van de burger en/of het gezin en de sociale leefomgeving daaromheen. Specifiek ten aanzien van jeugd zetten we in op een versterking (‘empowerment’) van ouders in hun opvoedkundige taken. In onze jeugdvisie hebben we dit als volgt verwoord:
De “civil society” kunnen we zien als de basis van de samenleving, ook wel de nullijn. Het vragen om hulp en/of ondersteuning moet zoveel mogelijk hier plaatsvinden. Een sterke nadruk op preventie, (vroegtijdige) signalering en het creëren van een laagdrempelig en dekkend aanbod van hulp en ondersteuning stellen we centraal om verwijzing naar zwaardere vormen van hulp zoveel mogelijk te voorkomen.
Zorg en ondersteuning is zo tijdelijk mogelijk en zover mogelijk gericht op terugkeer naar de eerste of nulde lijn. We nemen daarbij geen zorg over maar schuiven aan, gaan naast mensen zitten. We helpen mensen zichzelf te helpen en blijven uitgaan van de eigen kracht van mensen.
Niet alle hulp- of ondersteuningvragen kunnen door burgers of hun sociale netwerken daaromheen opgelost worden. Als burgers niet in staat zijn om op eigen kracht of binnen hun sociale omgeving de benodigde hulp of ondersteuning te regelen, kunnen zij een beroep doen op de gemeente. De dan, via de gemeente, aangeboden zorg of ondersteuning is altijd zo tijdelijk mogelijk en (indien mogelijk) gericht op terugkeer naar de eerste of nulde lijn. We nemen geen zorg over maar helpen mensen zichzelf te helpen, zodat zij in het vervolg (beter) in staat zijn de benodigde zorg en/of ondersteuning zelf te organiseren. De nullijn (de burger zelf en de sociale netwerken daaromheen) blijft de basis, ook bij zorg en/of ondersteuning in de eerste en tweede lijn.
We kiezen niet alleen voor een decentralisatie, maar ook voor een transformatie van het sociale domein. Dit doen we gefaseerd. Op 1 januari 2015 leggen we de basis. In de jaren na 2015 volgt de doorontwikkeling. Pas op langere termijn kunnen we echt spreken van een transformatie van het sociale domein.
De decentralisaties in het sociale domein vragen om andere werkwijzen en andere verhoudingen tussen burgers, overheden en het maatschappelijke veld. We noemen dit ook wel de transformatie van het sociale domein.
We vragen van burgers meer regie en meer verantwoordelijkheid over hun eigen leven. We vragen van de samenleving als geheel meer maatschappelijke inzet en hulp en ondersteuning voor elkaar, door elkaar en met elkaar. We verwachten sterke sociale netwerken en minder inzet van de eerste- en tweede lijn. Om dit te kunnen verwezenlijken zetten we sterk in op het versterken van de nullijn, onder andere door de inzet van preventiebeleid, preventieactiviteiten, het versterken van de signaalfunctie van het maatschappelijk veld en het versterken van burgerkracht.
We verwachten van aanbieders een open lerende houding, meer vraag- dan aanbod gericht en een resultaatgerichte aanpak met concrete doelen. Ook de rol van de gemeente moeten we anders invullen. De gemeente voert de regie over het proces. Dat betekent nadrukkelijk niet dat wij alles naar ons toe trekken. Sterker nog, we gaan niet uit centralistische sturing of beheersing. Samen met inwoners en maatschappelijke partners ontwikkelen staat centraal, met acceptatie van daarbij behorende onzekerheden. Het gaat om een nieuw evenwicht tussen regie voeren en loslaten.
Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014:
“Alleen door zelfreflectie bij organisaties (maatschappelijke instellingen, aanbieders en gemeente) kunnen we daadwerkelijk een transformatie bereiken!. Iedereen zal moeten veranderen en dat begint bij de eigen organisatie.”
We realiseren ons dat we veel vragen van inwoners, partners, aanbieders en onszelf. Ook (of juist) in de jaren na 2015 blijven we daarom inzetten op leren en (door)ontwikkelen. De gewenste cultuurverandering bij de gemeentelijke organisatie, maatschappelijke partners, beroepskrachten en inwoners vraagt daarbij om blijvende aandacht.
In het “Communicatieplan Decentralisaties” hebben we deze gefaseerde transformatie door middel van een omgevingsanalyse weergegeven. We hebben alle partijen die een rol spelen in het transformatieproces beschreven op basis van de huidige situatie (2014), de gewenste situatie per 1 januari 2015 én de gewenste situatie op langere termijn (richting 2020) na de transformatie. De verschillende (gewenste) rollen zijn in dit plan concreter uitgewerkt.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2.1