Naar hoofdinhoud
We gaan uit van de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van burgers. Burgers zijn en blijven op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun eigen leven. Ouders zijn en blijven op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van kinderen. Deze verantwoordelijkheid wordt nooit overgenomen door een hulpverlener, met uitzondering van enkele situaties waarbij de veiligheid van een kind in gevaar is. De mate waarin burgers zelfredzaam zijn speelt een belangrijke rol. Burgers kunnen zelfredzaam genoemd worden als ze een acceptabel niveau van functioneren hebben gerealiseerd op de gebieden (domeinen) waarmee zij in het dagelijks leven te maken krijgen. Zelfredzaamheid is niet ‘alleenredzaamheid’. Om een acceptabel niveau van functioneren te behouden of te bereiken moeten mensen in staat zijn om gebruik te maken van de vaardigheden, expertise, middelen en mogelijkheden van anderen. ‘Anderen’ zijn bijvoorbeeld familie en vrienden (nullijn). Zelfredzaamheid is wel vragen om de hulp van anderen wanneer je die nodig hebt om een acceptabel niveau van functioneren te behouden of te bereiken. We hanteren de volgende definitie van zelfredzaamheid: “Het in staat zijn om zelf een acceptabel niveau van functioneren op de belangrijke domeinen van het dagelijks leven te realiseren, indien nodig door zelf de juiste hulp te organiseren op het moment dat een daling van het functioneringsniveau dreigt of plaatsvindt, die men niet zelf kon voorkomen of verhelpen”. (Bron: Zelfredzaamheidsmatrix 2013, GGD Amsterdam, gemeente Rotterdam). Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014: “Mensen kennen hun eigen kracht niet altijd. De vraag is tot nu toe altijd probleemgericht geweest.”. We richten het sociale domein in vanuit het perspectief van inwoners. De basis wordt gevormd door de eigen kracht en het zelfredzame vermogen van de burgers. Het zelforganiserend vermogen van burgers, eigen oplossingen en de inzet van het sociale netwerk staat centraal. We hanteren de zelfredzaamheidsmatrix als integraal instrument waarmee we een beeld kunnen krijgen van de mate van zelfredzaamheid van burgers. We hanteren de zelfredzaamheidsmatrix 4 Zelfredzaamheidsmatrix. Februari 2013, GGD Amsterdam i.s.m. gemeente Rotterdam. als instrument waarmee we een beeld kunnen krijgen van de mate van zelfredzaamheid van burgers. De zelfredzaamheidsmatrix heeft betrekking op 11 leefdomeinen (financien, dagbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociale netwerken, maatschappelijke participatie en justitie). Per leefdomein onderscheiden we vijf niveaus van zelfredzaamheid: Acute problematiek: De situatie is onhoudbaar. Niet zelfredzaam: Situatie verslechterd als niet wordt ingegrepen. Beperkt zelfredzaam: Situatie is stabiel maar minimaal Toereikend. Voldoende zelfredzaam: Burger is voldoende zelfredzaam Volledig zelfredzaam: De zelfredzaamheid van de burger is bovengemiddeld goed. In de zelfredzaamheidsmatrix is per leefdomein elk niveau concreet omschreven. De zelfredzaamheidsmatrix vormt daarmee een basisinstrument voor het in beeld brengen van de zelfredzaamheid van burgers en gezinnen en gebruiken we als basis bij het binnenkomen van hulp- en ondersteuningsvragen (zie ook paragraaf 4.5 integrale toegang). Als gemeente zetten we in op het versterken van de eigen kracht en zelfredzaamheid van de burgers. We zetten daarom in op het zoveel mogelijk versterken van de nul-lijn. We stimuleren dat burgers hun hulpvragen zoveel mogelijk oplossen binnen hun eigen sociale netwerken, de nullijn. Voor veel burgers, maar ook voor hulpverleners betekent dit een gedragsverandering. Burgers, gemeenten en professionals komen in andere verhoudingen tot elkaar te staan. We proberen deze gedragsverandering te stimuleren door het versterken van de nullijn door; Bijeenkomst maatschappelijke partners 10 april 2014: “Met preventie kun je niet vroeg genoeg beginnen. De basis wordt al gelegd in het basisonderwijs”. Een beroep te doen op de verantwoordelijkheid van mensen voor hun eigen leven. De eigen kracht van mensen en gezamenlijke kracht van groepen te benutten. De inzet van informele netwerken te stimuleren en te faciliteren. De inzet van vrijwilligers en mantelzorgers te stimuleren en te faciliteren. Het stimuleren en faciliteren van initiatieven uit de samenleving die de zelfredzaamheid en eigen kracht van burgers versterken. Het opstellen en uitvoeren van preventiebeleid en preventieactiviteiten. Het versterken van de signalerende rol van het maatschappelijke veld. De gemeente heeft een faciliterende en stimulerende rol bij het bereiken van meer (pedagogische) kracht in de sociale omgeving van burgers en gezinnen. Naast het versterken van de eigen kracht van de burger en het gezin zelf, streven we naar meer (pedagogische) kracht in de sociale omgeving van de burger en het gezin. Zo moeten ouders zoveel mogelijk gebruik kunnen maken van hun eigen sociale netwerk van familie en vrienden om mogelijke problemen die een gezond en veilig opgroeien van hun kinderen in de weg staan, te voorkomen. Hierbij spelen ook vrijwilligers en professionals die jeugdigen in hun vrije tijd of op school veelvuldig zien een belangrijke rol. Zij moeten in staat gesteld worden om mogelijke problemen te signaleren, in gesprek te gaan met ouders (of de jeugdige zelf) en weten waar ze terecht kunnen als er meer nodig is. Landelijk beleid is erop gericht instroom in de specialistische (en dure) vormen van jeugdzorg terug te dringen en uitstroom te bevorderen. Ook de gemeente Oirschot beweegt “naar voren” waarbij een sterkere nadruk op preventie, signalering en het bereiken van een dekkend aanbod van laagdrempelige jeugdhulp. Er wordt stevig ingezet om vroegtijdig problemen te herkennen zodat escalatie naar zwaardere vormen van jeugdhulp voorkomen kunnen worden. Er zijn grenzen aan zelfredzaamheid. We gaan uit van de eigen kracht en zelfredzaamheid van burgers en gezinnen. Niet iedere inwoner of gezin is echter in staat om ondersteuningsvragen zelf of binnen het sociale netwerk op te lossen. Eigen kracht en zelfredzaamheid kent grenzen: Als inwoners geen of beperkte (financiële) middelen hebben om eigen problemen op te lossen en/of de benodigde hulp en ondersteuning te regelen, kunnen ze rekenen op zorg en ondersteuning vanuit de gemeente (gericht op eigen kracht en zelfredzaamheid). Het meer uitgaan van eigen kracht en zelfredzaamheid leidt op korte termijn niet per definitie ook tot een meer zelfredzaam gevoel bij mensen. Dit is onderdeel van de transformatie van het sociale domein. Soms, zoals in het geval van jeugdbescherming en jeugdreclassering zal het niet altijd lukken om de eigen kracht voldoende in te zetten. De invulling van het begrip “zelfredzame burger” is niet voor iedereen gelijk. Als burgers hulp en ondersteuning binnen hun eigen sociale netwerk kunnen regelen en daardoor minder of geen beroep doen op professionele zorg en ondersteuning, zijn zij in onze visie zelfredzaam. Voor de individuele burger kan het moeten inschakelen (om hulp vragen) van hun sociale netwerk juist resulteren in een sterk gevoel van afhankelijkheid. Waar zij voorheen zelfstandig de benodigde hulp en ondersteuning aan het “gemeenteloket” konden regelen, zonder daarmee anderen “lastig te moeten vallen”, moeten zij nu een beroep doen op familie, vrienden, buren etc. Vooral op korte termijn zullen sommige burgers zich hierdoor minder zelfredzaam voelen. Ook dit is onderdeel van de transformatie van het gehele sociale domein en zal pas op langere termijn veranderen. Informatievoorziening en communicatie tussen overheid en burgers is hierbij van essentieel belang. In het communicatieplan decentralisaties hebben we voor alle belanghebbenden (zoals burgers, vrijwilligers, cliëntraden, adviesraden, bedrijfsleven etc) uitgewerkt welke resultaten we willen bereiken, welke communicatiestrategie en welke communicatiemiddelen hiervoor in willen zetten. Om zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie te stimuleren, en te komen tot andere verhoudingen tussen burgers, overheid en maatschappelijke partners, kiezen we voor nieuwe manieren van werken met veel ruimte voor burgerinitiatieven. De gemeente stimuleert en faciliteert daarbij maar neemt in eerste instantie geen initiatief (overheidsparticipatie bij burgerinitiatieven). De decentralisatie van het sociale domein leidt tot andere verhoudingen tussen burgers, overheid en maatschappelijke partners. De rol van de gemeente gaat veranderen en wordt steeds meer een regierol. Er is meer ruimte voor burgers om met eigen initiatieven te komen. We verwachten van burgers, groepen van burgers, wijken en andere sociale netwerken ook dat zij zelf initiatief nemen. We verwachten dat burgers eigen verantwoordelijk nemen voor hun eigen leefomgeving. Als gemeente stimuleren en faciliteren we deze initiatieven. We nemen echter geen taken over. Klankbordgroep raad d.d. 15 januari 2014: “Werk wijkgericht. Stimuleer en faciliteer sociale netwerken. Zet in op het verhogen van sociale cohesie in buurten en wijken. Denk aan het koppelen van mensen en wijken (leren van elkaar)”.

Rechtspraak bij dit artikel