Naar hoofdinhoud
4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Doorwerking plangebied In deze beheersverordening worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Derhalve zijn ontwikkelingen op basis van de vigerende bestemmingsplannen wel toegestaan. Daarom zal er bij de aanvraag van een omgevingsvergunning een finale toetsing op het aspect bodem plaatsvinden. Dan zal ook de geschiktheid van de bodem aangetoond moeten worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel