Het opleggen van een gedragsaanwijzing, waarvan de nakoming kan worden afgedwongen via bestuurlijke maatregelen, kan een inbreuk maken op het recht op privacy en het recht op ongestoord genot van het eigendom. De veroorzaker wordt immers gedwongen zijn gedrag en zijn levensstijl aan te passen en de mogelijkheid bestaat dat tijdelijk de toegang tot de woning wordt ontzegd. Welk grondrecht wordt aangetast hangt af van de inhoud van de gedragsaanwijzing. Beperking van grondrechten is mogelijk via een Wet in formele zin, met artikel 151d van de Gemeentewet wordt beoogd aan deze voorwaarde te voldoen. Voor wat betreft rechten die burgers ontlenen aan het Europees Verdrag van de rechten van de Mens (EVRM), dient een beperking te zijn gebaseerd op een voor burgers voldoende duidelijke en voorzienbare regeling. Oftewel dit dient te zijn uitgewerkt in gepubliceerde regelgeving, denk daarbij aan verordeningen en beleidsregels. Verder vereist de beperking van rechten die worden ontleend aan het EVRM een proportionaliteitseis, de beperking van een grondrecht moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Bij woonoverlast gaat het echter om bescherming van rechten van andere burgers en het voorkomen van wanordelijkheden. Voor het kunnen opleggen van een gedragsaanwijzing betekent dit dat de burgemeester het recht op privacy en eventueel het recht op ongestoord genot van het eigendom van de veroorzaker van de hinder met een geschikte en proportionele maatregel mag beperken, om zo de rechten van de omwonenden te beschermen. Om onder andere te voldoen aan het proportionaliteitsvereiste is een checklist ontwikkeld, conform welke gewerkt zal worden. De checklist is toegevoegd aan deze beleidsregels als bijlage.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1.4