Naar hoofdinhoud
De basisgedachte van de bouwplantoetsing in de gemeente Noordoostpolder is dat elke bouw- of sloopaanvraag getoetst zal worden volgens een vastgesteld stramien, oftewel een toetsniveau. Dat stramien is, met eigen accenten, gebaseerd op de normen die zijn ontwikkeld in een landelijk project en die geleid hebben tot de matrix Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen (CKB). Naar aanleiding van het Bouwbesluit 2012 is deze standaardmatrix aangepast. Deze staat bekend onder de naam Landelijke toetsmatrix Bouwbesluit 2012 (LTB 2012). Deze aangepaste matrix vormt nog steeds uit het uitgangspunt voor de vaststelling van de toetsniveaus die de gemeente Noordoostpolder hanteert. Prioriteitstelling betekent dus dat de gemeente vastlegt in de vorm van een matrix aan welke onderdelen van het Bouwbesluit zij zal toetsen en met welke intensiteit zij dit zal doen. In het onderstaande wordt ingegaan op de reikwijdte van het toetsprotocol, op de opbouw van het Bouwbesluit, op de het principe van de CKB-matrix die een werkbare vorm wil geven aan bouwbesluittoetsing en op de gemeentelijke accenten die de gemeente Noordoostpolder gaat hanteren. Het toetsingsbeleid en de toetsingsmatrix hebben uitsluitend betrekking op de voorschriften van het Bouwbesluit. De categorieën waarop getoetst wordt, worden in het plan beschreven. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt uiteraard ook getoetst op aspecten als welstand en ruimtelijke inpassing. De beoordeling op deze aspecten vindt plaats aan de hand van andere beleidsplannen of voorschriften uit het Bouwbesluit. Daarnaast heeft de toetsingsmatrix uitsluitend betrekking op het traject van vergunningverlening. Voor handhaving is een eigen toetsingsbeleid opgesteld. Hoofdlijnen Bouwbesluit Het Bouwbesluit geeft voorschriften voor het bouwen van ‘bouwwerken’. Deze soorten bouwwerken zijn vertaald naar een indeling in functies. Deze gebruiksfuncties zijn leidend bij de toetsing, omdat de onderdelen waarop getoetst wordt en de mate waarin die toetsing plaatsvindt, afhankelijk is van die gebruiksfuncties. Het Bouwbesluit kent de volgende gebruiksfuncties: Woonfunctie Bijeenkomstfunctie Celfunctie Gezondheidsfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie Overige functie Bouwwerk geen gebouw zijnde De voorschriften voor al deze gebruiksfuncties zijn vervolgens weer verdeeld in hoofdstukken met afdelingen waarover de voorschriften in kwestie gaan. Het gaat om de volgende onderwerpen: Hoofdstuk 2.Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van veiligheid De voorschriften binnen het thema veiligheid gaan over de deugdelijkheid van de constructie en sterkte bij brand en de brandveiligheid, maar ook over gebruiksveiligheid en ‘sociale’ veiligheid: Constructieve veiligheid: duurzame waarborgen dat het gebouw niet (deels) instort of omvalt door op het bouwwerk inwerkende krachten. Brandveiligheid: bouwkundige aspecten die ervoor zorgen dat brandgevaarlijke situaties worden voorkomen en dat in geval van brand de brand en de rookontwikkeling beperkt blijven. Ook dienen er voldoende vluchtmogelijkheden te zijn. Gebruiksveiligheid: waarborgen voor het voorkomen van ongevallen in en om het gebouw. Sociale veiligheid: waarborgen tegen het indringen van onbevoegden in het gebouw. Hoofdstuk 3.Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van gezondheid De voorschriften binnen deze afdeling hebben betrekking op de gezondheidskundige aspecten en richten zich bijvoorbeeld op de bescherming tegen geluidshinder, luchtverversing, schadelijke of hinderlijke invloed van algemene aard of van stoffen, tegen ongedierte en daglichttoetreding: Schadelijke of hinderlijke invloeden: waarborgen tegen geluidsoverlast of vochtoverlast. Schadelijke of hinderlijke stoffen: waarborgen inzake luchtverversing en het gebruik van schadelijke materialen en het binnendringen van stoffen of straling. Ongedierte: waarborgen tegen doordringen van ratten en muizen. Daglicht: normen voor voldoende toetreding van daglicht en de mogelijkheid van uitzicht vanuit het gebouw. Hoofdstuk 4.Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid De voorschriften hebben betrekking op allerlei zaken die tijdens het gebruik van het bouwwerk van belang zijn en voor zover deze deel uitmaken van het bouwwerk zelf. Daarbij kan gedacht worden aan toegankelijkheid, de aanwezigheid van bepaalde ruimten en opstelplaatsen: Toegankelijkheid: normen voor voldoende toegang en doorgang. Ruimten: waarborgen voor de aanwezigheid van verblijfsruimten, gemeenschappelijke ruimte, toiletruimte en bergruimte. Opstelplaatsen voor aanrecht en kooktoestel. Hoofdstuk 5.Technische bouwvoorschriften uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu, nieuwbouw De voorschriften hebben betrekking op isolatie, de beperking van luchtdoorlatendheid en de energieprestaties van het bouwwerk, materiaalgebruik en duurzaam bouwen: Thermische isolatie: waarborgen voor zo minimaal mogelijk wegvloeien van warmte uit het gebouw langs grondvloeren, wanden en daken. Luchtdoorlatendheid: normen voor de afsluiting van daken, grondvloeren en gevels, zodanig dat geen buitenlucht ongecontroleerd het gebouw kan binnendringen. Energieprestatie: normen voor het bereiken van energiebesparing. Beperking van de belasting van het milieu door toe te passen materialen. Bepaling van uitstoot van broeikasgassen en uitputting van grondstoffen aan de van gestandaardiseerde methoden. Hoofdstuk 6.Voorschriften inzake installaties Dit hoofdstuk bevat een diversiteit aan voorschriften op het gebied van gas, elektra, (afval)water. Verlichting: ruimten moeten van een geschikte verlichting zijn voorzien. Elektra, gas en water: Voorschriften voor (de uitvoering van) deze voorzieningen, afstandseisen voor aansluiting op het distributienetwerk. Afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater: bepalingen voor de juiste wijze van afvoer. Brand: bepalingen voor brandmeldinstallaties, vluchtroutes, brandbestrijding, bereikbaarheid voor hulpverlening. Bereikbaarheid voor gehandicapten. Tegengaan van veel voorkomende criminaliteit. Hoofdstuk 7.Voorschriften inzake het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Dit hoofdstuk bevat bepalingen ter voorkoming van brandgevaar, ontwikkeling van brand, vluchtwegen, en overige voorschriften voor veilig en gezond gebruik. Bepalingen met betrekking tot roken en open vuur. Opslag en aanwezigheid van (brandgevaarlijke) stoffen. Veilig gebruik van verbrandingstoestellen. Bepalingen voor het veilig kunnen vluchten uit gebouwen. Overige bepalingen voor veilig en gezond gebruik van een gebouw. Hoofdstuk 8.Bouw- en sloopwerkzaamheden Dit hoofdstuk bevat regels voor het voorkomen van overlast en onveilige situaties bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden. Bepaling voor veiligheid in de omgeving. Regels ter voorkoming van geluid-, trilling-, en stofhinder. Scheiden van bouw- en sloopafval. De toetsmatrix Zoals gezegd is het in de praktijk niet doenlijk en gebruikelijk om bouwplannen te toetsen aan alle voorschriften van het Bouwbesluit. Tegelijkertijd roept dat de vraag op hoe de toetspraktijk dan wel op een inzichtelijke en verantwoorde manier geregeld kan worden. Tegen die achtergrond heeft de vereniging BWT Nederland een aantal jaren geleden het initiatief genomen tot een project, waaraan een aantal gemeenten heeft deelgenomen. Dit project droeg de naam Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen (CKB). Doel van dat project was om een toetsprotocol te ontwikkelen dat voorziet in de behoefte aan een praktisch hanteerbare toetsingsnorm. Uit het project is een verzameling toetsingsnormen voortgekomen, die gelden als het minimale toetsniveau. Het project spoort gemeenten aan om zich minimaal te conformeren aan dit toetsniveau. De normen die het CKB heeft vastgesteld zijn vertaald in een matrix die gebaseerd is op de woonfuncties en thema’s van het Bouwbesluit. Per categorie wordt een toetsniveau aangegeven. Deze matrix is aangepast aan het nieuwe Bouwbesluit. De nieuwe matrix (LTB 2012) kent afdelingen met afzonderlijke categorieën, waaraan een standaard toetsniveau is toegekend. De matrix fungeert als samenvatting van gemeentelijk toetsingsbeleid en als praktische hulpmiddel bij de uitvoering van de bouwplantoetsing. De Inspectie Leefomgeving en Transport, die toeziet op de bouwkwaliteit en de wijze waarop gemeenten die bewaken, heeft ingestemd met de CKB-normen. De betekenis daarvan is dat de inspectie deze normen ziet als een aanvaardbaar niveau van bouwplantoetsing. De toetsniveaus kennen een schaalverdeling van 1 tot en met 4, waarbij niveau 1 staat voor een korte scan en 4 voor het maximale niveau. Volgens de CKB normering is de betekenis als volgt: Niveau 1 Uitgangspunten Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de aangeleverde stukken in voldoende mate en in samenhang zijn weergegeven. Niveau 2 Visueel Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangpunten op de aangeleverde stukken voor het betreffende aspect de juiste vorm hebben en of de uitkomsten plausibel zijn. Niveau 3 Representatief Controle van de belangrijkste uitgangspunten. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten de juiste vorm hebben en of de uitkomsten plausibel zijn. Tevens worden de belangrijkste berekeningen gecontroleerd, dan wel nagerekend. De na te rekenen aspecten worden geselecteerd op basis van de visuele toets. Niveau 4 Integraal Alles controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten de juiste vorm hebben. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd, dan wel nagerekend. Gemeentelijke accenten In de afgelopen jaren is in Nederland discussie ontstaan over de constructieve veiligheid van gebouwen, mede naar aanleiding van een aantal incidenten. Dat was één van de aanleidingen om kritisch te kijken naar de praktijk van de gemeentelijke toetsing en om te komen tot een herijking. Dit resulteerde in het CKB-model. Ook is er steeds meer aandacht gekomen voor duurzaamheid, energiezuinigheid en het binnenklimaat, wat vertaald is in richtlijnen. Deze ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat de aspecten van veiligheid en duurzaamheid ook bij veel gemeenten extra aandacht hebben gekregen. De gemeente Noordoostpolder richt zich, bij de toetsing aan het Bouwbesluit van bouwaanvragen, primair op aanvraagonderdelen die tot calamiteiten kunnen leiden, wanneer daarin fouten of nalatigheden voorkomen en die na realisatie van een plan niet meer of slechts zeer moeilijk te corrigeren zijn. Publiek toegankelijke bouwwerken, bedrijfsmatige bouwwerken met een hoge gebruiksintensiteit en projectmatige nieuwbouw van woningen vragen van gemeentewege de meeste inspanning. Bij kleinere bouwwerken is de toets doorgaans minder intensief. De controlewerkzaamheden betreffen in hoofdlijnen het controleren van de hoofddraagconstructie van een bouwwerk waaronder de funderingsconstructie en de sterkte van de vloer-, wand - en dakconstructie. Ook worden de stabiliteit en de brandwerendheid van de constructies van het bouwwerk beoordeeld. Vertaling naar de LTB 2012 De gemeentelijke uitgangspunten in dit toetsingsbeleid komen in grote lijnen overeen met de normen voor de praktische toepassing van bouwplantoetsing, die zijn vastgelegd in de LTB 2012. De gemeente Noordoostpolder hecht veel belang aan constructieve veiligheid en brandveiligheid. Op deze onderdelen toetst de gemeente, in overeenstemming met de landelijke norm, intensief voor de functies wonen en de functies die gerelateerd zijn aan publiek gebruik (bijv. scholen) of gebruik door meerdere personen. Dat betekent dat op deze onderdelen (en de deelaspecten daarvan) de gemeente veelal de landelijke norm hanteert of op een hoger niveau toetst. Ook hanteert de gemeente tenminste deze norm op de aspecten die gerelateerd zijn aan zuinig energiegebruik. Dit in verband met het duurzaamheidsbeleid van de gemeente. Dit betekent op deze aspecten een hoger toetsingsniveau dan in de huidige praktijk wordt gehanteerd. Voor een beperkt aantal onderdelen dat samenhangt met bouwfysica en installatievoorzieningen hanteert de gemeente, in overeenstemming met de huidige praktijk, een lager toetsingsniveau dan de landelijke norm. De gemeente acht deze onderwerpen minder prioritair vanwege de geringe maatschappelijke impact van eventuele fouten en rekent deze technische onderdelen primair tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager. Samenvattend: de gemeente toetst op de volgende onderwerpen volgens de landelijke norm: constructieve veiligheid brandveiligheid bouwfysica: het onderdeel energieprestatie bouwkundig algemeen en op de volgende onderwerpen onder de landelijke norm: bouwfysica: overige onderdelen installatievoorziening De matrix van de gemeente Noordoostpolder In de bijlage bevindt zich de complete toetsmatrix van de gemeente Noordoostpolder. De opbouw van de matrix is als volgt. Langs de y-as (de rijen) van de matrix staan de hoofdstukken en de daarbij behorende afdelingen, oftewel de aspecten waarop de toetsing plaatsvindt. Deze corresponderen met de opbouw van het Bouwbesluit. Langs de x-as (kolommen) staan de gebruiksfuncties. Op deze wijze ontstaat een tabel waarop per afdeling en functie het toetsniveau kan worden ingevuld. In de onderstaande tabel is weergegeven voor welke concrete toetsingscategorieën de matrix van de gemeente Noordoostpolder afwijkt van de LTB matrix Onderdelen met afwijkend toetsniveau Afdeling LTB 2012 Niveau LTB 2012 Niveau NOP 2012 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten 3 1 3.2 Bescherming tegen geluid installaties 2 1 3.3 Beperking van galm 2 1 3.4 Geluidwering tussen ruimten van verschillende gebruiksfuncties, nieuwbouw 2 1 3.5 Wering van vocht 2/3 1 3.6 Luchtverversing 3/2 1 3.7 Spuivoorziening 2 1 3.8 Toevoer verbrandingslucht en afvoer van rookgas 2 1 6.2 Voorzieningen voor het afnemen en gebruiken van energie (nieuw en bestaand) 2 1 6.4 Afvoer van afval- en hemelwater 2 1 In de bijlage zijn deze afwijkende waarden met rood aangegeven.

Rechtspraak bij dit artikel