Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3: › Paragraaf 2:

Artikel 11

Artikel 11

Onderdeel van Monumentenverordening

1.. Een vergunning, als bedoeld in het vorige artikel, wordt schriftelijk aangevraagd onder overlegging van de voor beoordeling door burgemeester en wethouders benodigde bescheiden. 2.. Indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn, dat onvoldoende bescheiden ter beoordeling van de aanvrage zijn overlegd, stellen zij de aanvrager alsnog in de gelegenheid binnen een door hun te bepalen termijn de bescheiden aan te vullen. 3.. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvrage om vervangen c.q. de bij de aanvrage behorende bescheiden overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid genoegzaam zijn vervuld. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste twee maanden verdagen; hiervan dien zij onverwijld schriftelijk mededeling aan de aanvrager. 4.. Burgemeester en wethouders worden geacht een vergunning te hebben geweigerd, wanneer zij niet binnen de in het derde lid genoemde termijn – eventueel na verdaging – op de aanvrage een beslissing hebben genomen. 5.. Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvrage om vergunning niet dan na de monumentcommissie te hebben gehoord en geven van de beslissing onverwijld schriftelijk kennis aan de aanvrager, de monumentencommissie en het bouwtoezicht. 6.. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van het monument voorschriften verbinden aan een vergunning.

Rechtspraak bij dit artikel