**1..** Burgemeester en wethouders besluiten niet omtrent het afvoeren van een monument van de monumentenlijst dan na de monumentencommissie gehoord te hebben, tenzij de afvoering plaatsvindt, ingevolge het bepaalde in artikel 4, tweede lid, of in artikel 6, tweede lid, dan wel tenzij de afvoering noodzakelijk is als uitvloeisel van een geldend bestemmingsplan of van een beslissing van gedeputeerde staten of van de Kroon om geheel of ten dele goedkeuring aan een bestemmingsplan te onthouden. Zij geven van het afvoeren van een monument van de monumentenlijst in alle gevallen onverwijld chriftelijk kennis aan de eigenaren en zakelijk gerechtigden en zenden een afschrift der kennisgeving aan de monumentencommissie. Voorts doen zij hiervan openbare kennisgeving.
**2..** Artikel 5, tweede, derde en vierde lid, zomede artikel 6, eerste en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de afvoering plaatsvindt ingevolge het bepaalde in artikel 4, tweede lid, of in artikel 6, tweede lid, dan wel tenzij de afvoering noodzakelijk is als een uitvloeisel van een geldend bestemmingsplan of van een beslissing van gedeputeerde staten of de kroon om geheel of ten dele goedkeuring aan een bestemmingsplan te onthouden. Indien burgemeester en wethouders hebben besloten een monument van de monumentenlijst af te voeren, schrappen zij het monument van de lijst:
Indien tegen dit besluit geen beroep bij de gemeenteraad wordt ingesteld: na het einde van de in artikel 5, tweede en derde lid genoemde termijn;
Indien tegen dit besluit beroep bij de gemeenteraad is ingesteld: niet voordat de gemeenteraad op het beroep heeft beslist;
Indien de gemeenteraad het beroep verwerpt: na het einde van de in artikel 9 van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen bedoelde termijn;
Indien gedurende die termijn verzocht wordt om toepassing van artikel 80 van de Wet op de Raad van State: niet voordat op dat verzoek is beslist.