**1.** Het is verboden om in gebieden die zijn aangegeven op de archeologische waardenkaart op enigerlei wijze de bodem te verstoren of doen verstoren door werkzaamheden zoals bouwen, heien slopen, graven, ophogen, saneren, persen, bevriezen, grondwaterverlaging of –verhoging en dergelijke, zonder hiervan in de volgende gevallen vooraf melding te hebben gedaan aan het college:
op terreinen met bekende archeologische waarden (terreinen I t/m XIV van de archeologische waardenkaart) ongeacht de oppervlakte en de diepte van de werkzaamheden;
in gebieden met een hoge archeologische verwachting voor zover de werkzaamheden een oppervlakte van meer dan 100 m² beslaan en dieper reiken dan op de archeologische waardenkaart aangegeven dieptes;
in gebieden met een redelijk hoge archeologische verwachting, voor zover de werkzaamheden een oppervlakte van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan op de archeologische waardenkaart aangegeven dieptes;
in gebieden met een lage archeologische verwachting, voor zover de werkzaamheden een oppervlakte van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan op de archeologische waardenkaart aangegeven dieptes.
**2.** Geen melding als bedoeld in het eerste lid is vereist in geval van normaal onderhoud en beheer, in bestaande weg- en leidingcunetten, of indien een dringende noodzaak aanwezig is om onmiddellijk dreigend of reeds ingetreden gevaar tegen te gaan of te beperken.
**3.** Bij de melding dienen te worden overgelegd:
een omschrijving van de te verrichten bodemverstorende werkzaamheden, met opgave van relevante oppervlakte- en dieptematen;
een situatietekening, schaal 1:1.000;
tekeningen van bestaande en nieuwe toestand in plattegrond, schaal 1:200 en zonodig 1:100;
tekeningen van bestaande en nieuwe toestand in doorsnede, schaal 1:100 en zonodig 1:50.
**4.** In aanvulling op het bepaalde in het derde lid kan het college overlegging verlangen van een rapport waaruit de archeologische waarde van de te verstoren plaats naar zijn oordeel in voldoende mate blijkt.