Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Voorschriften

Onderdeel van Archeologieverordening

1. Indien de gemelde werkzaamheden leiden tot een onherstelbare verstoring van het archeologisch bodemarchief, die niet te rechtvaardigen is door het belang dat met de werkzaamheden is gemoeid en waaraan niet kan worden tegemoetgekomen door het opleggen van voorschriften, maakt het college uiterlijk twaalf weken nadat alle bij de melding behorende bescheiden compleet zijn overgelegd aan de indiener een schriftelijk besluit bekend om de werkzaamheden te verbieden. 2. Het college kan uiterlijk twaalf weken nadat alle bij de melding behorende bescheiden compleet zijn overgelegd aan de indiener een schriftelijk besluit bekendmaken om met het oog op het belang van het archeologisch bodemarchief voorschriften aan de uitvoering van de werkzaamheden te verbinden, zoals: het treffen van maatregelen om de aanwezige archeologische overblijfselen in de bodem te behouden; het verrichten van archeologisch veldonderzoek volgens een door een coördinator archeologie vast te stellen programma van eisen en een door deze goed te keuren plan van aanpak; begeleiding van de werkzaamheden door derden en toezicht op de naleving van het programma van eisen en plan van aanpak door de coördinator archeologie of een door deze aan te wijzen andere deskundige. 3. Het college kan de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. 4. Indien het college binnen de gestelde termijn geen besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid bekend heeft gemaakt wordt het geacht met de werkzaamheden in te stemmen.

Rechtspraak bij dit artikel