1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
indien:
a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
b. de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging
een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van
die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend.
c. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt
niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
schriftelijk mededeling gedaan.
Afdeling 1
Artikel 7
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ De Wolden 2013