1. Gedragingen van de belanghebbende die niet vallen onder artikel
10 van deze verordening, maar wel aangemerkt kunnen worden als
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in
artikel 18 van de wet, leiden tot een maatregel.
2. Het college stelt in beleidsregels vast welke gedragingen kunnen
worden aangemerkt als het betonen van tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid, als genoemd in het eerste lid.
3. Een maatregel op grond van het eerste lid wordt zo mogelijk
afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, met inbegrip van
het onverantwoord bestede vermogen, gerelateerd aan de
netto-bijstand, waarbij de volgende categorieën worden
onderscheiden, onder vermelding van de hoogte van de maatregel
overeenkomstig artikel 6 lid 2:
a. benadelingsbedrag nihil of niet vast te stellen: eerste
categorie van 5%;
b. een benadelingsbedrag tot € 1000,-- leidt tot een maatregel van
de tweede categorie van 10%;
c. een benadelingsbedrag van € 1000,-- tot € 2000,-- leidt tot een
maatregel van de derde categorie van 20%;
d. een benadelingsbedrag van € 2000,-- tot € 4000,-- leidt tot een
maatregel van de vierde categorie van 40%;
e. een benadelingsbedrag van € 4000,-- of meer leidt tot een
maatregel van de vijfde categorie van 100%.
Afdeling 1 › Hoofdstuk 2
Artikel 11
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013