1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
bijstandsnorm.
2. In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met
terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog
niet is uitbetaald of van belanghebbende wordt teruggevorderd.
3. Als het recht op bijstand eindigt kan, voor zover het tijdvak
waarover de maatregel is opgelegd nog niet is verstreken, het
resterende deel van de maatregel ten uitvoer worden gelegd, als de
belanghebbende binnen zes maanden na de beëindiging opnieuw
aanspraak op bijstand maakt.
4. Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel
die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd,
heroverwogen.
Afdeling 1 › Hoofdstuk 1
Artikel 7
De wijze van oplegging van de maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013