Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 19

Artikel 19

Onderdeel van Begraafplaatsverordening 1994

1.. De op de graven te plaatsen monumenten, zerken of andere gedenktekenen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met door burgemeester en wethouders zo nodig te stellen eisen. 2.. Voor de in het eerste lid bedoelde monumenten, zerken of andere gedenktekenen wordt in acht genomen, dat een lengte van 2.00 meter en een breedte van 1.00 meter niet wordt overschreden. 3.. Liggende zerken en staande gedenkstenen, steunende op afzonderlijke banden, mogen niet worden aangebracht zonder de steun van platen of randen van gewapend beton. 4.. Liggende zerken hebben een lengte van 2.00 meter, een breedte van 1.00 meter en een dikte van minimaal 10 centimeter. De fundering van zodanige zerken dient tenminste 5 centimeter binnen de buitenrand van de zerk te blijven. De hoogte van de zerk bedraagt, te rekenen vanaf het grondniveau aan de voorzijde maximaal 20 centimeter en aan de achterzijde maximaal 30 centimeter. 5.. Staande gedenkstenen mogen niet hoger zijn dan 80 centimeter, te rekenen vanaf het grondniveau, bij een minimale dikte van 6 centimeter. Op de eigen kindergraven mogen staande gedenkstenen niet hoger zijn dan 60 centimeter, te rekenen vanaf het grondniveau en niet breder dan 40 centimeter. Op de algemene graven mogen geen staande gedenkstenen worden geplaatst. 6.. Liggende gedenkstenen dienen te zijn vervaardigd van hardsteen en niet langer te zijn dan 40 centimeter en niet breder dan 60 centimeter, bij een minimum dikte van 6 centimeter. Op het voor kindergraven bestemde gedeelte bedraagt deze breedte maximaal 50 centimeter. 7.. Beplanting om en op eigen graven is toegestaan, mits deze blijft binnen de in het tweede lid bepaalde afmetingen en ook overigens burgemeester en wethouders tegen de aard van die beplantingen geen bezwaar hebben. Boom- of struikgewas, hoger dan 60 centimeter, is niet geoorloofd. 8.. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen van het bepaalde in dit artikel ontheffing verlenen. Artikel 20 De gemeente is niet aansprakelijk voor de zich op of bij de graven bevindende voorwerpen of beplantingen of voor schade daaraan, door welke oorzaak ook ontstaan. Artikel 21 Losse bloemen, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, zonder voorafgaande waarschuwing worden verwijderd. Artikel 22 Bij begraving in, ruiming van of opgraving uit eigen graven moeten het afnemen en weer aanbrengen van daarop aanwezige gedenktekenen of beplantingen door en voor rekening van de rechthebbende geschieden. Na een tijdelijke verwijdering als bedoeld in het eerste lid dient het graf binnen vier weken in ordelijke staat te worden gebracht. Indien de rechthebbende nalaat daaraan te voldoen zal dit geschieden door de zorg van de gemeente op kosten van de nalatige. Artikel 23 Wanneer het uitsluitend recht tot het doen begraven in een bepaald graf is geëindigd of vervallen, blijft de grafbedekking gedurende twaalf weken ter beschikking van de laatste rechthebbende of diens erfgenamen. De grafbedekking op de algemene graven worden verwijderd, zodra de in artikel 13, eerste lid onder b, bedoelde termijn is verstreken. Zij blijven gedurende twaalf weken ter beschikking van hen, aan wie vergunning, als bedoeld in artikel 17 was verleend. Het voornemen tot verwijdering van deze grafbedekkingen wordt zes maanden, voordat tot de verwijdering wordt overgegaan, op een bij de te ruimen graven geplaatst bord bekendgemaakt aan belanghebbenden. Na afloop van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen vervallen de grafbedekkingen aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel