Als onderdeel van het regelen en besturen van de gemeentelijke huishouding behoort het beheren van gemeentelijke eigendommen in het algemeen en gemeentelijke gronden in het bijzonder, tot de kerntaken van de gemeente. Het mag dan ook als een wettelijke opdracht aan gemeenten gelden om handhavend op te treden tegen het gebruik van gemeentegrond zonder recht of titel, in de volksmond betiteld als illegaal gebruik van gemeentegrond of “landjepik”.
Het kan niet zo zijn dat de gemeente door stil te zitten in feite illegaal gebruik van gemeentegrond sanctioneert met (impliciet) gedogen. Niet alleen is dat strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ook het privaatrechtelijk handelen van de gemeente beheersen, maar er kunnen ook in publiekrechtelijke zin problemen ontstaan indien het aan de gemeente opgedragen toezicht op de naleving van voorschriften aan de orde is. Daarnaast spelen hier de gevolgen van de sedert 1 januari1992 gewijzigde verjaringsregels van het Burgerlijk Wetboek (BW) een belangrijke rol. Die gewijzigde regels leiden ertoe dat het bij stilzitten van de gemeente in geval van illegaal gebruik van gemeentegrond niet de vraag is óf de gemeente haar eigendomsrecht zal verliezen, maar slechts wanneer. Want dát een dergelijk stilzitten uiteindelijk tot eigendomsverlies leidt staat vast. En op een gemeente rust juist de taak er zorg voor te dragen dat eigendom van publiek domein niet door verjaring verloren raakt.
Het voorgaande betekent dat de conclusie geen andere kan zijn dan dat tegen elk geval van illegaal gebruik van gemeentegrond dient te worden opgetreden. En dat optreden dient een gestructureerd karakter te hebben in de vorm van een handhavingsbeleid op dit gebied.