Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Belastbaar feit en belastingplicht

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2011

1.. Onder de naam rioolheffing worden geheven: een heffing ter zake van het gebruik van de riolering voor dat gedeelte van het afvalwater dat de hoeveelheid van 500 m3 niet te boven gaat (hierna aangeduid als: rioolheffing kleinverbruik); een heffing ter zake van het gebruik van de riolering voor het afvalwater dat uitgaat boven de onder a bedoelde hoeveelheid van 500 m3 (hierna aangeduid als: rioolheffing grootverbruik); 2.. De rioolheffing kleinverbruik wordt geheven van degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een eigendom van waaruit afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 3.. De rioolheffing grootverbruik wordt geheven van degene die, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, het gebruik heeft van een eigendom van waaruit afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 4.. In afwijking van het tweede lid wordt met betrekking tot een roerende zaak de rioolheffing kleinverbruik geheven van de gebruiker van het eigendom. 5.. Ingeval een eigendom een onroerende zaak is, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 6.. Met betrekking tot de rioolheffing grootverbruik wordt als gebruiker aangemerkt: degene die naar de omstandigheden beoordeeld het eigendom al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. ingeval een deel van een eigendom - niet zijnde een gedeelte als bedoeld in artikel 1, tweede lid - ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel