Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2011

1.. De rioolheffing kleinverbruik wordt geheven per eigendom. 2.. De rioolheffing grootverbruikwordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd. 3.. Het aantal kubieke meters afvalwater wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste in het belastingjaar afgesloten verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald op een hoeveelheid behorende bij een periode van twaalf maanden. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4.. Indien het gebruik van een eigendom door de belastingplichtige in de loop van het belastingjaar is aangevangen of beëindigd, wordt in afwijking van het derde lid het aantal kubieke meters afvalwater gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste in het belastingjaar afgesloten verbruiksperiode die betrekking heeft op het gebruik door de belastingplichtige, naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt. De hoeveelheid water wordt, na toepassing van de tweede en derde volzin van het derde lid, door herleiding naar tijdsgelang bepaald op een hoeveelheid behorende bij een periode die gelijk is aan de periode gedurende welke de belastingplichtige in het belastingjaar het gebruik heeft van het eigendom. Bij die herleiding worden gedeelten van een kalendermaand buiten aanmerking gelaten. 5.. Indien gedurende het belastingjaar geen verbruiksperiode die betrekking heeft op het gebruik door de belastingplichtige is afgesloten, wordt de hoeveelheid afvalwater met toepassing van het derde of derde en vierde lid bepaald op het aantal kubieke meters water dat in de eerste na afloop van het belastingjaar afgesloten verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt . 6.. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 7.. Ingeval er sprake is van een gemeenschappelijke watermeter voor meer eigendommen, dan wordt de hoeveelheid toegevoerd water voor ieder van die eigendommen gesteld op een aandeel dat rechtevenredig is aan het aantal eigendommen dat op de watermeter is aangesloten. 8.. De op de voet van het derde, vierde of vijfde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.

Rechtspraak bij dit artikel