Artikel 31 lid 2 onderdeel m WWB bepaalt dat giften en andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade niet tot de middelen van belanghebbende worden gerekend, voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.
Gemeentelijk beleid
1. Immateriële schadevergoeding
Andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde uitkeringen en vergoedingen voor immateriële schade worden niet als midden (inkomen of vermogen) in aanmerking genomen. Het komt voor dat in een dergelijke vergoeding een component is opgenomen voor loonderving. Het loondervingsdeel wordt wel bij de middelentoets betrokken. Periodieke vergoedingen worden als inkomen gezien en een éénmalige vergoeding geldt als vermogen.
2. Materiële schadevergoeding
Andere dan de in artikel 31 lid 2 onderdeel l WWB bedoelde uitkeringen en vergoedingen voor materiële schade worden niet als middelen (inkomen of vermogen) in aanmerkingen genomen, tenzij:
•
met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd en/of;
•
betrokkene de ontvangen vergoeding niet heeft besteed voor het wegnemen van de geleden schade. Als iemand slechts een deel van de vergoeding heeft aangewend voor het wegnemen van de schade wordt het niet benutte deel als middelen gezien.
3. Giften
Er zal steeds individueel beoordeeld moeten worden in hoeverre een gift buiten beschouwing kan worden gelaten. Als het gaat om de hoogte van de gift, moet bezien worden of dit leidt tot een bestedingsniveau dat niet mee in overeenstemming is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is (bijvoorbeeld wanneer de belanghebbende maandelijks een gift van € 450,- ontvangt). Gaat het om de bestemming van gift, dan zal bij een specifieke bestemming (bijvoorbeeld studiekosten of schulden) de vrijlating eerder in de rede liggen dan wanneer deze betrekking heeft op de algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan (levensonderhoud).