Met betrekking tot het spaarloon moet bepaald worden of het inkomen of vermogen is en of erover beschikt kan worden in de zin van artikel 31 lid 1 WWB.
Gemeentelijk beleid
In het kader van de verlening van bijstand wordt als het volgt omgegaan met een spaarloonregeling:
•
Bij de vermogensvaststelling bij aanvang van de bijstand wordt 66,55% (= gedeelte van het loon dat anders ter beschikking van belanghebbende zou zijn gekomen; percentage per 1 januari 2010) van het geblokkeerde spaarloon als vermogen aangemerkt waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.
(Al voor aanvang van de bijstand vrijgevallen spaarloongelden worden op grond van artikel 34 lid 1 onderdeel a WWB in het geheel meegeteld bij de vermogensvaststelling).
•
Spaarloon dat tijdens de bijstandsverlening wordt gedeblokkeerd, wordt volledig vrijgelaten bij de inkomens- en vermogenstoets.
•
Ontvangen rente over spaarloon wordt vrijgelaten op grond van artikel 34, lid 1 onderdeel c van de WWB.
•
Als de belanghebbende bijstand ontvangt ter aanvulling op zijn loon, dan moet voor wat betreft de inkomstenkorting uitgegaan worden van het loon dat de belanghebbende zou ontvangen als hij niet aan de spaarloonregeling zou deelnemen. Hiertoe moet hij een aparte loonspecificatie van zijn werkgever overleggen. Als de belanghebbende dit niet kan of wil, wordt van het spaarbedrag 66,55% wel, en 33,45% (percentages per 1 januari 2010) niet tot het inkomen gerekend.
•
Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt eveneens uitgegaan van het inkomen dat belanghebbende zou ontvangen, als hij niet aan de spaarloonregeling zou deelnemen.