Op grond van artikel 34 WWB moet het vermogen bij aanvang van de bijstand worden vastgesteld. De vermogensvaststelling is bij een echtscheiding of verlating niet altijd even gemakkelijk, omdat op het moment van aanvang van de bijstand de boedel nog niet verdeeld is.
Gemeentelijk beleid
Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan worden afgeweken van deze hoofdregel:
de aanvrager is verwikkeld in een echtscheidingsprocedure of er is sprake van verlating, en;
de aanvrager kan op het moment van de aanvraag slechts beschikken over een vermogen dat minder is dan de toepasselijke vermogensgrens.
In dat geval kan worden gewacht met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is.
Het vermogen wordt dan voorlopig vastgesteld op het vermogen waarover belanghebbende op het moment van de aanvraag kan beschikken. In de toekenningsbeschikking wordt aangegeven dat:
•
het vermogen voorlopig is vastgesteld en dat
•
na afwikkeling van de echt- en boedelscheiding het vermogen definitief wordt vastgesteld en dat
•
bij overschrijding van het vrij te laten vermogen, de te veel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd met toepassing van artikel 58, lid 1 onderdeel f van de WWB.
De teveel verstrekte bijstand moet, op het moment dat over het vermogen beschikt kan worden, in één keer worden terugbetaald.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4
Vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating
Onderdeel van Beleidsregels WWB/WIJ