Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.5

Vermogen ontvangen voor de aanvraag voor bijstand

Onderdeel van Beleidsregels WWB/WIJ

De situatie kan zich voordoen dat een belanghebbende in de periode voorafgaand aan de aanvraag voor bijstand vermogen boven het vrij te laten vermogen heeft ontvangen en op het moment van de aanvraag hier niet meer over beschikt (bijvoorbeeld in verband met de verkoop van een woning en de hieruit ontvangen overwaarde). Gemeentelijk beleid Van belang is om na te gaan wanneer een belanghebbende redelijkerwijs heeft kunnen weten dat hij bijstandsbehoevend zou worden. In het geval dat een belanghebbende voorafgaande aan een aanvraag werkloos was en een WW-uitkering heeft ontvangen, wist de belanghebbende dat, als herintreden niet lukt, hij op enig moment bijstandbehoevend zou worden. Afhankelijk van de hoogte van het op dat moment (toekenning van de WW-uitkering) resterende bedrag zal moeten worden beoordeeld of het vermogen met het zicht op bijstandbehoefte verantwoord is besteed/ingeteerd. Niet mag uit het oog worden verloren dat bijvoorbeeld na een echtscheiding normaliter behoefte bestaat aan (gedeeltelijke) herinrichting. Het toebedeelde vermogen kan hieraan zijn besteed. Als een belangrijk deel van het vermogen evenwel op is gegaan in de periode waarin belanghebbende wist of kon weten dat hij mogelijk een beroep moest gaan doen op bijstand (afhankelijk van de duur van de WW en uitzicht op herintredingsmogelijkheden), dan moet worden beoordeeld of het vermogen in die periode verantwoord is ingeteerd. Als hierop bevestigend kan worden geantwoord heeft belanghebbende normaal recht op bijstand. Is evenwel onverantwoord ingeteerd, dan wel is onduidelijk waaraan het vermogen kort voor de bijstand is opgegaan, dan moet worden beoordeeld of de bijstand moet worden verlaagd, overeenkomstig de maatregelenverordening, dan wel of de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt op grond van artikel 48 WWB.

Rechtspraak bij dit artikel