Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.9

Vermogensvaststelling gedurende de periode van bijstandsverlening

Onderdeel van Beleidsregels WWB/WIJ

Er bestaat op grond van artikel 19 lid 1, aanhef en onderdeel b WWB geen recht op algemene bijstand als er in aanmerking te nemen vermogen is. Wat vermogen is wordt gedefinieerd in artikel 34 lid 1 WWB. Gemeentelijk beleid Om praktische redenen wordt het vermogen tijdens de verlening van algemene bijstand als volgt vastgesteld: Vermogenssaldo bij vorige vaststelling (bij aanvang van de bijstand of vorig (her)onderzoek) + Ontvangsten sinds de vorige vaststelling (na aftrek van vrijlatingen) + Waardevermeerdering van bezittingen + Aflossing van schulden sinds de vorige vaststelling + Kwijtschelding van schulden sinds de vorige vaststelling - Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling - Waardevermindering van bezittingen (m.u.v. bestedingen) ====================================================== Nieuw vermogenssaldo Gevolgen van vermogensmutaties. Als het nieuwe vermogenssaldo lager is dan de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens bestaat er recht op algemene bijstand (artikel 34 lid 3 WWB, zie ook B4.3.7.2 van het handboek ). (5) Is het nieuwe vermogenssaldo daarentegen hoger dan de vermogensgrens, dan moet het college de algemene bijstand beëindigen. Belanghebbende zal zijn vermogensoverschot moeten interen voordat er weer recht op algemene bijstand ontstaat (zie B4.3.10). Ontvangsten sinds de vorige vaststelling Als de belanghebbende tijdens de bijstandsverlening vermogen ontvangt, dan moet het college dit ontvangen vermogen meenemen bij het bepalen van het nieuwe vermogenssaldo, voor zover dit niet is vrijgelaten. Belangrijke voorbeelden van ontvangen vermogen zijn: • Het ontvangen van een gift die niet geheel of gedeeltelijk wordt vrijgelaten (zie over een eventuele vrijlating hiervan ook B4.1.3.12); • Het ontvangen van een erfenis; • Het ontvangen van een uitkering volgens een (levens)verzekering (6); • Het winnen van een prijs. Zie over vrijgelaten vermogen ook B4.3.7 en B4.3.8. Aflossing en kwijtschelding van schulden. Schulden worden bij de vaststelling van het vermogen alleen meegenomen als het feitelijk bestaan ervan aannemelijk is en er een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting aan vast zit (zie B4.3.5.1). In bovenstaande systematiek leiden schulden per saldo tot een verhoging van de vermogensvrijlating. Keerzijde van de medaille is dat aflossing en kwijtschelding van schulden leidt tot een hoger vermogen en daarmee tot een lager restant van de vermogensvrijlating. Het niet meenemen van aflossing en kwijtschelding van schulden zou belanghebbenden met schulden blijvend bevoordelen ten opzichte van belanghebbenden zonder schulden. Dit is onrechtvaardig en niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Als schulden worden afgelost met ontvangsten van vermogen, dan leidt de aflossing niet tot een hoger vermogen. Immers, de ontvangsten worden ook al meegeteld bij de vaststelling van het nieuwe vermogenssaldo. Het daarnaast meetellen van de aflossing zou een dubbeltelling betekenen. Nieuwe schulden sinds de vorige vaststelling Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat er in de WWB, mede op grond van jurisprudentie over de Algemene bijstandswet, voor gekozen is om rekening te houden met schulden ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandsverlening zijn ontstaan (7). Door in bovenstaande systematiek bij de bepaling van het vermogenssaldo tijdens de bijstand nieuwe schulden (d.w.z. schulden die na aanvang van de bijstandsverlening zijn ontstaan) in mindering te brengen op het vorige vermogenssaldo wordt bereikt dat schulden die tijdens de bijstandsverlening ontstaan exact hetzelfde effect hebben op het vermogenssaldo (en daarmee op het recht op bijstand) als schulden die reeds bij aanvang bestaan. Besteding/interen Besteding van/interen op contant geld of geld dat op bank- en spaarrekeningen staat heeft tijdens de bijstand geen invloed op het vermogenssaldo. Met andere woorden: een daling van het banksaldo na aanvang van de bijstand leidt niet tot een daling van het vermogen (8). Waardevermindering en waardevermeerdering van bezittingen Zaken die tijdens de bijstandsverlening in waarde verminderen ( bijvoorbeeld auto´s) of vermeerderen (bijvoorbeeld aandelen) leiden tot een wijziging van het vermogenssaldo. Dit kan worden afgeleid uit CRvB 27-08-2002, nr. 99/6249 NABW en CRvB 24-05-2005, nr. 03/4946 NABW. Het betreft hier weliswaar uitspraken met betrekking tot de Abw, maar de WWB is op de punten waar de CRvB zijn uitspraken op baseert gelijkduidend aan de Abw. Opgemerkt moet worden dat in TK 2002-2003, nr. 13, 9 167-168 het aspect waardevermindering kort aan de orde komt, maar daarbij wordt verwezen naar het interen (zie vorige alinea). Dit is te weinig concreet om te stellen dat aan voornoemde uitspraak voor de toepassing van de WWB geen betekenis meer toekomt. Negatief vermogenssaldo De vaststelling van het vermogen gebeurt zowel bij aanvang als tijdens de bijstandsverlening door het maken van een optelsom van positieve en negatieve vermogensbestanddelen. Als de negatieve bestanddelen groter zijn dan de positieve is de uitkomst negatief. Een negatief vermogenssaldo is dus gewoon mogelijk. Het kan het beste worden vergeleken met een negatief banksaldo. Een negatief vermogenssaldo betekent dat er recht op bijstand blijft bestaan zolang de som van de vermogensmutaties kleiner is dan het verschil tussen het negatieve vermogen en de toepasselijke actuele vermogensgrens. Zie ook de volgende voorbeelden. Rapportage en beschikking Uit de rapportage zal moeten blijken op welke wijze het vermogenssaldo is vastgesteld. Daartoe zal de berekening opgenomen moet worden onder verwijzing naar bewijsstukken. Als het vermogenssaldo lager is dan de toepasselijke actuele vermogensgrens bestaat er recht op bijstand. In de beschikking kan dan worden volstaan met vermelding van het vermogenssaldo en de van toepassing zijnde vermogensgrens. Een weergave van de vermogensberekening kan achterwege blijven aangezien het college vaststelt dat er recht op bijstand bestaat. Pas als als gevolg van vermogensmutaties het vermogenssaldo boven de vermogensgrens uitkomt, zal het college inzage moeten geven in de wijze waarop het vermogenssaldo berekend is. Voorbeeld 1 Bij aanvang van de algemene bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse € 4.500,-, opgebouwd uit een auto van € 3.500,- en een spaarrekening met een saldo van € 1.000,-. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang € 9.950,-. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 9.000,-. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels € 10.250,-. De vermogensmutatie tijdens de bijstand is € 9.000,-. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 13.500,- (€ 4.500,- plus € 9.000,-). Dit bedrag is hoger dan de actuele vermogensgrens. Het college moet de algemene bijstand beëindigen. Voorbeeld 2 Bij aanvang van de bijstand bedraagt het vermogen van het gezin Jakobse € 4.500,-, opgebouwd uit een auto van € 3.500,- en een spaarrekening met een saldo van € 1.000,-. De toepasselijke vermogensgrens bedraagt bij aanvang € 9.950--. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 9.000,-. Bovendien is er een schuld ontstaan van € 6.000,. De actuele vermogensgrens bedraagt inmiddels € 10.250,-. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 3.000,- (€ 9.000,- minus € 6.000,-). De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 7.500,- (€ 4.500,- plus € 3.000,-). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt € 10.250,- minus € 7.500,- = € 2.750,-. Voorbeeld 3 Bij aanvang van de bijstand bedragen de schulden van het gezin Jacobse meer dan de bezittingen. Er is een negatief vermogen van € 20.000,-. Het vrij te laten vermogen wordt niet aangesproken. Omdat het vermogen onder de toepasselijke vermogensgrens ligt (en er is ook voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden) bestaat er recht op algemene bijstand. Na een jaar ontvangt het gezin een erfenis van € 25.000,-. De actuele vermogensgrens bedraagt op dat moment € 10.250,-. De vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 25.000,-. De som van het vermogenssaldo bij aanvang van de bijstand en de vermogensmutatie tijdens de bijstand bedraagt € 5.000,- (- € 20.000,- plus € 25.000,-). Dit bedrag is lager dan de actuele vermogensgrens. Er bestaat nog steeds recht op algemene bijstand. Het restant van het vrij te laten vermogen bedraagt € 10.250,- minus € 5.000,- = € 5.250,-. De in de voorbeelden genoemde bedragen zijn enkel ter illustratie. Verantwoording systematiek Bovenstaande systematiek betreft een op de praktijk toegesneden uitleg van artikel 34 WWB. Formeel gesproken is er echter sprake van strijd met de wet. Maar de wet en parlementaire geschiedenis spreken elkaar meermaals tegen. De gekozen systematiek probeert zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever, in het bijzonder ten aanzien van de beoogde omgang met schulden die zijn ontstaan na aanvang van de bijstandsverlening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel