Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en
bodemingrepen in archeologische verwachtingsgebieden.
Aanlegvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf
door aanvrager van de aanlegvergunning door middel van een
rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de
Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en het
Programma van Eisen naar het oordeel van Burgemeester en
Wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat bij
realisatie van de bodemingrepen:a. de archeologische waarden
in voldoende mate zijn zeker gesteld; ofb. er geen
archeologische waarden aanwezig zijn; ofc. de archeologische
waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.
Het college kan aan de verlening van de vergunning de
volgende voorschriften verbinden:a. de verplichting tot het
treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de
bodem kunnen worden behouden;b. de verplichting tot het doen
van inventariserend veldonderzoek of een opgraving;c. de
verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te
laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het
terrein van de archeologische monumentenzorg.
De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
archeologische waarden die in het geding zijn naar het
oordeel van het College in situ behouden dienen te
blijven.
Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die
in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988
zijn aangewezen als beschermd archeologisch
(rijks)monument.
Hoofdstuk 7
Artikel 24
Vergunning archeologische verwachtingsgebieden
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente eersel 2011