Naar hoofdinhoud
Deze verordening is van toepassing op permanente installaties, als omschreven in artikel 1, in, op of aan gebouwen, voor zover daarbij de veiligheid in het geding is, met uitzondering van: installaties vallende onder Liftenbesluit 1 (Stb. 167, d.d. 23-03-1956, zoals sindsdien gewijzigd); installaties in fabrieken en werkplaatsen als bedoeld in artikel 1a van het Veiligheidsbesluit voor Fabrieken en Werkplaatsen (Stb. 872, d.d. 19-11-1938, zoals sindsdien gewijzigd); een goederenlift met een reeks gekoppelde kooien of bakken, waarbij het laden en lossen automatisch tijdens het bewegen geschiedt; een met de hand aangedreven lift voor een nuttige last van ten hoogste 10 kg; een elektrisch aangedreven lift voor een nuttige last van ten hoogste 10 kg, waarvan de toegangen niet breder dan 0,4 m en niet hoger dan 0,5 m zijn; een niet voor personenvervoer bestemde installatie met een hefhoogte van ten hoogste 1,8 m. TECHNISCHE VEREISTEN Artikel 3 Een installatie met toebehoren moet tot in alle onderdelen zijn uitgevoerd in materialen, die geschikt zijn voor het doel waarvoor zij worden gebruikt. Zij moet zodanig zijn samengesteld dat gevaar voor personen die met de installatie worden vervoerd, daarmede arbeid verrichten of daaraan herstellingen uitvoeren, alsmede voor personen die zich in de onmiddellijke nabijheid van de installatie bevinden, zoveel mogelijk is uitgesloten. Met betrekking tot installaties moeten, voor zover zij van toepassing zijn, ten minste in acht worden genomen: de leidraad voor veiligheidsmaatregelen voor liften (Rapport van de commissie, ingesteld bij beschikking van de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid van 25 april 1930, nr. 1222, afdeling Arbeid), hoofdstukken VI (artikelen 107 t/m 122), VIII (artikelen 140 t/m 146 en bijlage C1) en X (artikelen 170 t/m 173, 175, tweede lid en 177 t/m 179); NEN 1010 (Veiligheidsvoorschriften voor Laagspanningsinstallaties), uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 1081 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische personen- en goederenliften met betreedbare kooi) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 1082 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische goederenliften met niet-betreedbare kooi) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie lnstituut; NEN 1083 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische paternosterliften voor personen) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 1085 (Veiligheidsvoorschriften voor elektrische roltrappen) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN-EN-115 (Ontwerp Veiligheidsvoorschriften voor elektrische roltrappen en rolpaden) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 1086, deel B (Veiligheidsvoorschriften voor invalidenliften. Personenliften met geringe snelheid en gering hefvermogen) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 3582 (Elektrische personenliften en goederenliften. Veiligheid Elektrische goederenliften) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 3583 (Veiligheidseisen Trapliften) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN 3584 (Veiligheidseisen voor hefplateaus voor personenvervoer met geringe snelheid en beperkte hefhoogte) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut NEN 5080 (Personenliften in woongebouwen. Afmetingen en functionele eisen) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; NEN-EN-81 (Veiligheidsvoorschriften voor het vervaardigen en het aanbrengen van personen- en goederenliften. Deel 1: Elektrische personenliften (Ned.)) uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut; de veiligheidsrichtlijnen vermeld in de brief d.d. 23 april 1976 betreffende "Veiligheid Balansliften" van de Commissie Liftveiligheid aan de Stichting A.G.V. "Carolinenhof Voorburgseweg 36, Leidschendam; P 120 en P 119 (Verplaatsbare hangsteigers, ontwerpen en vervaardigen, gebruik en onderhoud) uitgegeven door het Directoraat-Generaal van de Arbeid; P 87 (Goederenheffers. Constructie Gebruik Onderhoud) uitgegeven door het Directoraat-Generaal van de Arbeid. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd rekening te houden met herzieningen en vervangingen van de in het tweede lid genoemde leidraad, publicatiebladen, richtlijnen en normen, indien de daartoe bevoegde instantie deze heeft herzien of vervangen en de herziening of vervanging is gepubliceerd. MELDINGSPLICHT

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel