**1..** De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
kunnen delen van deze kosten met een ander.
**2..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de
wet genoemde maximumbedrag.
**3..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder waarop het tweede lid niet
van toepassing is 25% van het in artikel 25, tweede lid van de wet
genoemde bedrag, behoudens nadere bepalingen die elders in deze
verordening zijn geregeld.
**4..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
of de alleenstaande ouder, in afwijking van lid 3, bepaald op het in
artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag, indien de
kosten van het bestaan uitsluitend kunnen worden gedeeld met:
kinderen die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op
grond van hoofdstuk II van de Wet Studiefinanciering 2000,
of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
onderwijsbijdrage en schoolkosten, dan wel waarvoor
aanspraak op kinderbijslag bestaat of,
niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar die over
een inkomen beschikken dat niet hoger is dan het in artikel
21 onder a van de wet genoemde bedrag.
Hoofdstuk
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand