1.Aansluitend op het bepaalde in artikel 7 wordt het subsidie ingevolge deze
paragraaf voorts niet toegekend:
indien het gemeentelijk monument, waaraan de voorzieningen worden getroffen, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, niet geschikt is of bestemd is om het gehele jaar door te worden bewoond;
indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het treffen van de onderhoudsvoorzieningen er blijkens de aanvraag niet op is gericht de onderdelen van het gemeentelijk monument, die blijkens de monumentenlijst ex artikel 3 van de monumenten verordening monumentale waarde bezitten, op een sobere en doelmatige wijze te herstellen, te bewaren of te conserveren;
indien voor het treffen van de voorzieningen aan het gemeentelijk monument een vergunning ex artikel 5 van de monumentenverordening benodigd is en deze (nog) niet is verstrekt;
indien voor dezelfde werkzaamheden als waarop de aanvraag betrekking heeft, minder dan 5 jaar voor het tijdstip van indiening van de aanvraag een subsidie in de kosten van onderhoud is verleend.
In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onder b tot en met d.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 3
Artikel 19
Weigeringsgronden
Onderdeel van subsidieverordening gemeentelijke monumenten