**1..** Het inkomen van het huishouden moet in een redelijke verhouding tot de huurprijs van de woonruimte staan.
**2..** Bij de toepassing van het gestelde in lid 1 hanteren burgemeester en wethouders voor de bepaling van de verhouding tussen de huurprijs en het daarbij ten hoogste toegestane inkomen, de in de toelichting opgenomen tabel, die zij jaarlijks (conform de aanbevelingen van de minister) kunnen aanpassen.
**3..** Wanneer voor een woning bedoeld in artikel 2, onder a geen gegadigde met een passend inkomen, zoals bedoeld in de in het vorige lid genoemde tabel, bekend is, dan wordt de woning ook passend geacht voor een gegadigde met een hoger inkomen.
**4..** Het inkomen van het huishouden wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Huursubsidiewet, waarbij eventuele inkomsten en aftrekkosten eigen woning buiten beschouwing gelaten.
**5..** Indien het inkomen sinds de vaststelling als bedoeld in lid 4 sterk en duurzaam is gewijzigd, wordt het inkomen vastgesteld aan de hand van het meest recente inkomen.
**6..** Het bepaalde in lid 2 is niet van toepassing op:
woonruimte met hulp-, zorg- en servicevoorzieningen waarbij ten minste één lid van het huishouden de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
aangepaste woonruimte waarbij ten minste één lid van het huishouden gehandicapt is;
woonruimte met vijf of meer kamers waarbij het huishouden bestaat uit ten minste vijf leden.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 5.
Artikel 16
Verhouding inkomen - huurprijs
Onderdeel van Huisvestingsverordening 2004