Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Ambtelijke bijstand

Onderdeel van Verordening op de ambtelijke bijstand

1.. Ambtelijke bijstand wordt verleend, tenzij: niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de bijstand betrekking heeft op werkzaamheden van de raad; de taakuitoefening van de betreffende aangewezen medewerkers hierdoor aanmerkelijk zou worden belemmerd en de bijstand niet tot geringere, meer aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht. dit het belang van de gemeente kan schaden. 2.. Wanneer de bij artikel 2.1. bedoelde functionaris van mening is, dat zich een geval voordoet, waarin géén ambtelijke bijstand kan of behoort te worden verleend, legt hij het verzoek voor aan de gemeentesecretaris en doet hij daarvan mededeling aan de aanvrager. 3.. De gemeentesecretaris legt het verzoek voor aan burgemeester en wethouders en doet daarvan mededeling aan de griffier. Burgemeester en wethouders beslissen binnen twee weken. 4.. Artikel 3.3. is van overeenkomstige toepassing als de gemeentesecretaris van mening is dat de gevraagde bijstand als bedoeld bij artikel 1.2. niet of niet tijdig kan worden gegeven. 5.. Wanneer de griffier van mening is, dat zich een geval voordoet, waarin géén ambtelijke bijstand kan of behoort te worden verleend, legt hij het verzoek voor aan de voorzitter van de raad. De voorzitter beslist binnen twee weken. 6.. Wanneer het raadslid niet (geheel) tevreden is over de verstrekte informatie respectievelijk het gegeven advies als bedoeld in artikel 2.2., kan hij zich voor overleg daarover, tot de gemeentesecretaris wenden; mocht dit overleg voor het raadslid geen bevredigend resultaat hebben, dan legt de gemeentesecretaris de zaak voor aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders beslissen binnen twee weken. 7.. Bij het vragen van informatie, advies of bijstand mag degene die deze hulp verleent niet tot geheimhouding verplicht worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel