De wet koppelt nadrukkelijk het recht op het ontvangen van een bijstandsuitkering aan de plicht om hier zo snel mogelijk weer onafhankelijk van te worden. Een cliënt dient zich dus naar vermogen optimaal in te spannen om het gebruik van bijstand te minimaliseren. Hieruit vloeit ook voort dat hij zich dient te houden aan de verplichtingen die op hem rusten voortvloeiend uit de wet, de verordening en de verplichtingen die door het college van burgemeester en wethouders aan de voorziening zijn verbonden. Deze verplichtingen kunnen in de praktijk zijn neergelegd in een reïntegratiecontract.
Uit artikel 2 vloeit voort dat op het niet naleven van een verplichting voor de uitkeringsgerechtigde mogelijk een maatregel kan volgen zoals neergelegd in de Verordening maatregelen Wet werk en bijstand 2007. De maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering.
Voor personen zonder uitkering kan het college de uitkering niet verlagen. De sanctie op het niet naleven van de verplichtingen die uit deze verordening en de toegekende voorziening voortvloeien, bestaat in dat geval op het gedeeltelijk verhalen van de kosten die gepaard gaan met het verstrekken van de voorziening. Het college is bevoegd deze kosten te verhalen op de cliënt. Hierbij dient, evenals bij het opleggen van een maatregel aan een uitkeringsgerechtigde, rekening te worden gehouden met de omstandigheden van het geval (evenredigheidstoets).