1. In aanmerking voor kinderopvang komen medewerkers van gesubsidieerde instellingen en onderwijsinstellingen: a. die een vast of tijdelijk dienstverband hebben met een van de instellingen als bedoeld in artikel 1; het aantal dagdelen kinderopvang bedraagt maximaal de omvang van de aanstelling; b. die als ouder of verzorger belast zijn met de feitelijke verzorging van een kind/kinderen tussen 0 en 12 jaar; c. die, voor zover het medewerkers van onderwijsinstellingen en opvang voor 0-4 jarigen betreft, kunnen aantonen dat zij zijn ingeschreven bij De Stichting Utrechtse Kinderopvang voor de landelijke regeling en dat binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van inschrijving geen kinderopvang mogelijk is in het kader van de landelijke regeling. Voor deze groep vervalt het recht op kinderopvang op grond van deze beleidsregels zodra de medewerker in het kader van de landelijke regeling in aanmerking komt voor kinderopvang. 2. Het in lid 1 bedoelde recht op kinderopvang geldt alleen voor zover: a. door de gemeente middelen beschikbaar zijn gesteld voor bedrijfsplaatsen voor medewerkers van gesubsidieerde instellingen en onderwijsinstellingen; b. er plaats beschikbaar is volgens de toelatings- en wachtlijstprocedure voor bedrijfsplaatsen, zoals gehanteerd door de SKA, respektievelijk het GOB. 3. Het recht op kinderopvang eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de da-tum waarop het dienstverband met de gesusidieerde instelling of onderwijsinstelling is geëindigd, tenzij direct aansluitend een nieuw dienstverband wordt aangegaan met een gesubsidieerde instelling of onderwijsinstelling.