Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5

Artikel 5

Onderdeel van Toeslagenverordening WWB 2009.

Artikel 27 WWB Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op artikel 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen toepassen. Het gaat er om of belanghebbende zelf woonkosten heeft en niet of voor de woning zelf woonkosten verschuldigd zijn. De situatie van inwonende kinderen valt hier niet onder, omdat op basis van andere jurisprudentie (CRvB 2 maart 1999 JABW 1999/69) is bepaald, dat er als gevolg van de inwoning bij de ouders weliswaar schaalvoordelen bestaan, doch dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd, dat in een dergelijke situatie sprake is van het geheel kunnen delen van de kosten. De hoogte van de korting hangt samen met de toeslag voor de alleenstaande (ouder) dan wel verlaging bij de gehuwde. De verlaging bedraagt nooit meer dan het bedrag van de toeslag dan wel maximaal 20% bij gehuwden. Als er al verlaagd is in verband met het kunnen delen van kosten dan wordt dat percentage in mindering gebracht op de verlaging woonkosten waardoor er bij gehuwden en alleenstaanden (ouders) dezelfde systematiek wordt gehanteerd. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen maken voor dak- en thuislozenopvang. Indien dit in het individuele geval aan de orde is dient dit bij de vaststelling van de uitkeringshoogte (i.c. de toeslag) te worden betrokken. Indien kosten voor opvang verschuldigd zijn kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand de voorwaarde verbinden dat deze kosten rechtstreeks worden overgemaakt aan de betreffende instelling. Dit kan zich voordoen bij het stelselmatig niet betalen van dergelijke kosten door de belanghebbende zelf. Tot slot bestaat de mogelijk de bijstand in natura te verstrekken (bijstand in de vorm van een dag/nachtverblijf). en 5. Deze situatie doet zich voor bij doorbetaling van vaste lasten door de onderhoudsplichtige partner. Meestal is dat in het kader van een voorlopige voorziening hangende een echtscheidingsprocedure, soms ook daarna nog in afwachting van de formele boedelscheiding. Een rechtvaardiging van de afwijking van het standaardpercentage van 20% is dat deze specifieke situatie zich kenmerkt door de tijdelijkheid hangende de echtscheidingsprocedure uiterlijk tot aan het moment van de boedelscheiding, een grote diversiteit in de mate van doorbetaling van vaste lasten en de financieel onduidelijke situatie in de beginfase van de echtscheidingsprocedure, waarbij men zich nog moet instellen op het nieuwe inkomensniveau. Een wat soepelere benadering past daarbij. Toegevoegd wordt dat aan de uitkering veelal de verplichting is verbonden dat de boedelscheiding binnen een bepaalde termijn moet plaatsvinden. De wettelijke basis hiervoor is artikel 55 WWB. Bij de bepaling van het percentage op 15% is aansluiting gezocht bij de norm die volgens artikel 3, vijfde lid geldt voor een commerciële prijs. Die norm is vervolgens weer indirect afgeleid van de norm voor woonkosten bij het Nibud. Uiteraard zal de verlaging nooit hoger kunnen zijn dan de daadwerkelijk doorbetaalde woonkosten. De verlaging voor alleenstaanden (ouders) heeft door deze gekozen benadering uitsluitend betrekking op de toeslag. Deze bepaling is opgenomen om samenloop met een verlaging op grond van het recent beëindigd hebben van een opleiding te voorkomen. Zolang laatsgenoemde verlaging geldt, is een verlaging wegens het ontbreken van woonkosten niet mogelijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel