1.Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
“ambtenaar”: de ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Bezoldigingsverordening 1995;
“inconveniënt”: een omstandigheid, voortvloeiende uit het werk, de werkmethode en / of werkomgeving, die - afhankelijk van algemeen maatschappelijke factoren – als extra bezwarend wordt ervaren, die in redelijkheid niet vermijdbaar is en die als zodanig een extra beroep doet op de bereidheid onder een dergelijke omstandigheid te werken;
“werk”: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten.
Niet als inconveniënt in de zin van deze verordening worden aangemerkt:
psychische factoren;
bezwaren verbonden aan het werken op afwijkende uren, op onregelmatige tijden, met gebroken diensten, gedurende een meer dan normaal aantal uren per week e.d.
Aan de ambtenaren die naar het oordeel van burgemeester en wethouders hun werkzaamheden verrichten onder omstandigheden die als extra bezwarend worden ervaren kan door burgemeester en wethouders, boven het salaris, een inconveniënttoelage worden toegekend.