**1..** Een vergunning als bedoeld in artikel 8 lid 1 kan slechts worden verleend indien;
de bodemverstorende activiteiten tot gevolg hebben dat de archeologische waarden van het betreffend terrein niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en/of;
uit door de aanvrager van de vergunning overgelegd archeologisch onderzoek conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie naar het oordeel van het college blijkt dat de archeologische waarden van het betreffend terrein in voldoende mate zijn vastgesteld en zo nodig zijn zekergesteld, dan wel dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel dat de archeologische waarden door bodemverstorende activiteit niet of niet onevenredig worden geschaad.
**2..** Het college kan nadere eisen stellen aan het archeologisch onderzoek en het archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld onder lid 1.
**3..** Aan de vergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden;
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van opgravingen;
de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het college bij de vergunning te stellen kwalificaties.
HOOFDSTUK 3
Artikel 9
Toelaatbaarheid, weigeringsgrond en nadere eisen
Onderdeel van Archeologieverordening Oss 2010