Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 1

Artikel 2.3.1.3

Weigerings- en intrekkingsgronden

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Ridderkerk 2001

De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf, de wijze van bedrijfsvoering van de houder van het horecabedrijf in deze of andere horecabedrijven, alsmede diens antecedenten. De burgemeester kan de vergunning intrekken of wijzigen indien: a blijkt dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; b de houder van het horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften bij de vergunning, overtreedt; c aannemelijk is dat de houder van het horecabedrijf betrokken is of hem ernstige nalatenheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; d de houder van het horecabedrijf toestaat dan wel gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare feiten worden gepleegd; e zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; f op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. 5De vergunning vervalt indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan 6 maanden is of wordt onderbroken alsmede indien sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd.

Rechtspraak bij dit artikel