Alternatief 1
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4.24 bedraagt de
maximale hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
een omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
weg;
b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand
tussen de voorgevelrooilijnen langs de
desbetreffende weg.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn
van de smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15
meter.
3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks
op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
voorgevelrooilijn.
4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten
hoogte, bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
Alternatief 2
1. Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte
van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
a. in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij
de bouwverordening behorende kaart, 1,73 maal de
afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
desbetreffende weg;
b. in het overige deel van de bebouwde kom eenmaal
de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
desbetreffende weg;
c. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand
tussen de voorgevelrooilijnen langs de
desbetreffende weg.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan
de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede
weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte, van
de hoek af gemeten gelijk aan de afstand tussen de
voorgevelrooilijnen van de smalle weg, doch over geen
grotere lengte dan 15 meter.
3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks
op de desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de
breedte van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
voorgevelrooilijn.
4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
ontbreekt, geldt ter bepaling van de maximale hoogte,
bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van de
onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.20
Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening Toelichting