Alternatief 1
1. Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte
van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
bouwblok;
b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in
hetzelfde bouwblok.
2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks
op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.
Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet
evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een
tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
hoogte worden verminderd met een maat, gelijk aan het
verschil tussen het straatpeil en het peil van het
onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
voltooiing van de bouw.
Alternatief 2
1. Onverminderd het bepaalde in bedraagt de maximale hoogte
van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:
a. in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij
de bouwverordening behorende kaart 1,73 maal de
afstand tot de tegenoverliggende achtergevelrooilijn
in hetzelfde bouwblok;
b. in het overige deel van de bebouwde kom eenmaal
de afstand tot de tegenoverliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;
c. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot
de tegenoverliggende achtergevelrooilijn in
hetzelfde bouwblok.
2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks
op de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.
Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet
evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de
achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een
tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de
maximale hoogte van een bouwwerk in het vlak door de
achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan de maximale
hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.
4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager
dan straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde
hoogte worden verminderd met een maat gelijk aan het
verschil tussen het straatpeil en het peil van het
onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij
voltooiing van de bouw.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.21
Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
Onderdeel van Bouwverordening Toelichting