Alternatief 1
1. Onverminderd het bepaalde in mag een bouwwerk, voor het
bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de
vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn
en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
en - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
hoek vormen van:
a. 45 graden in de bebouwde kom;
b. 37 graden buiten de bebouwde kom.
2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -
krachtens - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale
vlak een hoek vormt van 56 graden.
Alternatief 2
1. Onverminderd het bepaalde in mag een bouwwerk, voor het
bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de
vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn
en door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
en - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
hoek vormen van:
a. 60 graden in delen van de bebouwde kom, aangeduid
op de bij de bouwverordening behorende kaart;
b. 45 graden in het overige deel van de bebouwde
kom;
c. 37 graden buiten de bebouwde kom.
2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk
bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het
verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de -
krachtens - maximale bouwhoogte en dat met het horizontale
vlak een hoek vormt van 56 graden.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 5
Artikel 2.5.23
Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
Onderdeel van Bouwverordening Toelichting