Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 12

Selectie van kandidaten voor een woonwagenstandplaats

Onderdeel van Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland 2007

1.. Nieuwe of vrijkomende standplaatsen in de gemeente Haarlem worden bij voorrang toegewezen aan de bewoners van het voormalig centrum Waarderveld in de gemeente Haarlem. 2.. Bij selectie van kandidaten voor nieuwe of vrijkomende standplaatsen in de overige gemeenten in Zuid-Kennemerland en indien de standplaats in de gemeente Haarlem is gelegen en niet op grond van lid 1 is toegewezen, geldt de volgende prioriteitsvolgorde: kandidaten, welke wonen op het centrum, waar de toe te wijzen standplaats op – of aansluitend aan – is gelegen; kandidaten, welke wonen op één van de andere woonwagencentra in de regio Zuid-Kennemerland. 3.. Zijn er geen kandidaten binnen de woonwagencentra in Zuid-Kennemerland, dan komt de standplaats beschikbaar voor andere woningzoekende in de regio en vindt de selectie voor de standplaats plaats conform het convenant woonruimteverdeling Zuid-Kennemerland. 4.. Als er meerdere kandidaten zijn binnen dezelfde prioriteitscategorie zoals bepaald in lid 2 of als er op grond van lid 1 meerdere kandidaten zijn voor één standplaats, dan geldt binnen deze categorie dat kandidaten met een huisvestingsvergunning voor een standplaats voorrang krijgen boven de onzelfstandige wonende kinderen. Vervolgens gaan kandidaten met de langste zoekduur voor. Indien er op grond van een zoekduurlengte geen voorrang tussen de kandidaten bestaat, wordt de woningzoekende met de hoogste leeftijd geselecteerd voor de standplaats. 5.. In aanvulling op artikel 5 kan een huisvestingsvergunning voor een standplaats worden ingetrokken als: de vergunninghouder niet binnen twee weken nadat de standplaats feitelijk beschikbaar is gekomen, de standplaats inneemt; de vergunninghouder handelt in strijd met deze verordening, de voor de standplaats verstrekte huisvestingsvergunning en / of de daaraan verbonden voorschriften. 6.. De huisvestingsvergunning voor een standplaats vervalt: één maand nadat de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de standplaats geen gebruik meer te willen maken; onmiddellijk nadat de huurovereenkomst voor een standplaats is beëindigd en de vergunninghouder de standplaats heeft verlaten; onmiddellijk nadat de vergunninghouder de standplaats heeft verlaten, voor zover de betreffende standplaats niet ingevolge een huurovereenkomst door de vergunninghouder werd ingenomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel