Naar hoofdinhoud
1.. De medewerker dient zich allereerst tot zijn leidinggevende te wenden met zijn klacht. De leidinggevende zal als bemiddelaar optreden tussen klager en aangeklaagde. 2.. Heeft de medewerker reden zich niet tot zijn leidinggevende te wenden, of slaagt de bemiddelingspoging van de leidinggevende niet, dan kan hij2 zich wenden tot een vertrouwenspersoon ongewenst gedrag. 3.. De vertrouwenspersoon ondersteunt/begeleidt de medewerker tijdens de behandeling van de klacht, tenzij de klager het noodzakelijk acht dat de klachtencommissie een advies uitbrengt. 4.. In afwijking van lid 3 heeft iedere medewerker het recht zich (eventueel ondersteund door de vertrouwenspersoon) met een klacht tot de landelijke klachtencommissie ongewenst gedrag te wenden. Voetnoot 2: Daar waar in deze regeling -hij/zijn- staat, wordt ook -zij/haar- bedoeld.

Rechtspraak bij dit artikel