Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet en bewoners van een instelling genoemd in artikel 1 van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen die een zelfstandige vervoersbehoefte hebben, kunnen voor de in artikel 23, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:

a.aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 23 onder a., onmogelijk maken, of

  • - een collectief systeem als bedoeld in artikel 23 onder a., niet aanwezig is, of
  • - wanneer het collectief systeem onvoldoende invulling kan geven aan de individuele vervoersbehoefte.