Bij een gedraging inhoudende schending van een verplichting als bedoeld in artikel 45 van de wet wordt een verlaging opgelegd van twintig procent van de inkomensvoorzieningsnorm. De volgende gedragingen worden daarbij onderscheiden:
het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard;
het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;
het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;
het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten.
Bij het zich ernstig misdragen tegenover het college of tegenover de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet ,wordt een verlaging opgelegd van twintig procent van de inkomensvoorzieningsnorm.
De duur van de verlaging wordt vastgesteld op een maand.
Bij recidive:
In afwijking van het eerste lid kan het percentage van de verlaging worden verdubbeld indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, opnieuw één van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet schendt.
In afwijking van het tweede lid kan een verlaging worden opgelegd van honderd procent van de inkomensvoorzieningsnorm indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd in verband met het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of tegenover de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, indien de jongere zich opnieuw ernstig misdraagt tegenover het college of tegenover de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet.
Bij volharding:
Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste en tweede lid binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt een verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm opgelegd voor de duur van 12 maanden tegen het percentage dat bij recidive van toepassing is.
Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de verordening.
Artikel 11
Schending verplichting als bedoeld in artikel 45 en het zeer ernstig misdragen (derde categorie)
Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010